Over Anéantir van Houellebecq

Michel Houellebecq in gezelschap op het boekenbal 2019. Foto: Dolf Verlinden

In een gedicht moet elk woord op zijn plaats staan en alle ballast overboord terwijl een roman ruimer in zijn jas mag zitten. Maar er zijn grenzen, en Michel Houellebecq heeft in zijn nieuwste roman Anéantir wel een heel lange aanloop nodig om uit te komen op vragen over sterven en mogelijk voortbestaan rondom zijn hoofdpersoon Paul Raison. Daar denkt niet iedereen hetzelfde over. Sommige recensenten (zeker hier in den lande) wekken de indruk dat ze van tevoren al wisten dat ze dit boek vijf ballen of sterren zouden geven en roepen overwegend oh en ah. Het gaat immers om Houellebecq, een merkartikel dat bij voorbaat onvoorwaardelijke bewondering afdwingt.

Daarmee gaan ze voorbij aan een reëel bezwaar. Waarom eerst die soap, die balzaciaanse ‘moten leven’, waarin familieverhoudingen en (liefdes)relaties zo fijnmazig worden uitgesponnen? Wat is de meerwaarde van het terrorisme, de cyberaanvallen en de presidentsverkiezingen? Natuurlijk, het is een specialiteit van Houellebecq, en een deel van zijn talent schuilt ook in die zo niet satirische dan toch zeer kritische, bij tijden genadeloze blik op de contemporaine wereld. Maar tot ver over de helft van het boek wordt niet duidelijk waar de schrijver heen wil, welke harde kern er uiteindelijk in het verhaal te ontwaren valt. Het gaat over allerlei vormen van het ‘anéantir’ (= vernietigen) dat ingebakken zit in de wereld, alleen wordt dat thema in eerste instantie niet consistent uitgewerkt. 
  Op de compositie van het boek valt dus wel wat aan te merken, maar, moet gezegd, liever een mindere Houellebecq dan een goede Connie Palmen of Ilja Leonard Pfeijffer. Sowieso wordt Anéantir overeind gehouden door Houellebecqs uitzonderlijke verteltalent, zijn galgenhumor, zijn precisie, zijn beelden (grote romantische hoogten in natuurbeschrijvingen, zonsondergangen in landschappen in de herfst, enz.). De paar tekeningetjes, die op één na naar (cyber)terrorisme verwijzen, had hij wel weg mogen laten. Ze verhelderen nauwelijks iets, voegen evenmin iets toe en zijn bovendien niet al te fraai – in smoezelig zwart-wit – uitgevoerd. Wat ook weinig toevoegt bijvoorbeeld is de historische achtergrond van een figuur naar wie een straat genoemd is in de Parijse banlieue. De geschiedenis van ene Marcel Grosménil en die van voorstad Villejuif vertonen geen enkel aanwijsbaar verband met de handel en wandel van Paul Raison, noch met de slopende ziekte die hem aan het anéantir is.  Dit vervreemdende spelletje, waarin een overspannen stadsgids of een dwangneurotische historicus aan het woord lijkt, doet zich hier overigens minder voor dan in voorgaand werk van Houellebecq. Men heeft hem weleens verweten hele pagina’s van Wikipedia te kopiëren.
  Hoe het ook zij: in Anéantir mikt hij op niet minder dan een totaalroman. We lezen een zedenschets gesitueerd in een nabije toekomst, precies een jaar, van november 2026 tot oktober 2027. Tegen een achtergrond van binnen- en buitenlandse dreiging komen er presidentsverkiezingen aan. Gesuggereerd wordt dat Emmanuel Macron na een tweede termijn een zwakke kandidaat uit de televisiewereld naar voren schuift om daar zijn eigen derde termijn mee zeker te stellen. Paul Raison is daar als rechterhand van minister van Financiën Bruno Juge nauw bij betrokken.
  Naarmate het verhaal vordert concentreert het zich meer en meer op Paul.  Deze centrale figuur en tamelijk vlakke persoonlijkheid is een topambtenaar van bijna vijftig. In die hoedanigheid is hij ook zeer bevriend met minister Bruno Juge. Raison (verstand, rede), Juge (rechter, beoordelaar): twee betekenisvolle namen die een allegorisch tintje aan het verhaal geven. Er zijn meer voorbeelden van, en het is zonneklaar dat ze de krachten symboliseren die het opnemen tegen het ‘anéantir’, de vernietiging waarvan het hele boek doordrenkt is. Niet voor niets verschijnen in de loop van de geschiedenis een dokter Lebon (de Goede) en een dokter Lesage (de Wijze) ten tonele. Zij worden overigens op een wat karikaturale wijze vanwege hun snorren en kale hoofden als de onfortuinlijke detectives Jansen en Jansens (Dupont en Dupond) uit Kuifje van Hergé gepresenteerd. Paul noemt hen althans in gedachten zo, waarmee hij het leed dat hem overkomt lijkt te willen ironiseren.
  Het eerste staaltje van persoonlijk ‘anéantir’ dat zich meteen in het begin voordoet, is het herseninfarct van Pauls vader, voormalig geheim agent Éduard Raison. De lezer krijgt daarmee een inkijkje in de verhoudingen binnen het gezin Raison en in het reilen en zeilen – én falen – van het Franse zorgstelsel. Dat heeft net als het Nederlandse te kampen met onderbezetting en met managers zonder enige affiniteit met de werkvloer. Vader Éduard is dus niet in goede handen, en samen met zijn zeer gelovige zus Cécile en zijn onevenwichtige, feitelijk gebroken broer Aurélien weet Paul hem te bevrijden uit een ondeugdelijke verpleeginstelling. Gelijktijdig, en daar komt de liefdesroman om de hoek kijken, laait zijn nagenoeg uitgedoofde huwelijk met veganiste en Wicca-aanhangster Prudence (hier: wijsheid) na jaren van verwijdering plotseling weer op. Dat daarin (orale) seks een belangrijke plaats heeft behoeft geen betoog. Fellatio is nu eenmaal een soort handelsmerk van Houellebecq, evenals zijn mechanistische, technische beschrijvingen van de daad. Desondanks is er in dit boek sprake van een voor Houellebecqs doen opmerkelijke mengeling van tederheid en genegenheid, zeker wanneer Paul blijkt te lijden aan een ongeneeslijke en agressieve mondkanker. Feitelijk zijn twee tegengestelde bewegingen in het verhaal waar te nemen: het echte, definitieve ‘anéantir’ van de kankercellen die uit zijn op de vernietiging van het organisme dat hen herbergt, waar dan de liefde weer lijnrecht tegenover staat, een idylle die tegen het einde zelfs een sprookjesachtige dimensie krijgt.
  Deze idylle staat overigens niet op zich, want alle mannelijke personages vinden een zekere vorm van geluk. De inmiddels zwaar gehandicapte vader van Paul wordt liefderijk verzorgd door zijn voormalige huishoudster Madeleine, de ongelukkige Aurélien beleeft een intense romance met verpleegster Maryse (kortstondig helaas, ze kan hem uiteindelijk niet redden). Verder belandt minister Bruno Juge in de armen van een aanhankelijke jonge vrouw, Raksaneh genaamd, de assistente van zijn spin doctor Solène Signal – een zoveelste betekenisvolle naam.
  De gedachten van Paul over zijn naderende einde zijn somber. Hij voorziet een groot niets (‘néant’), in ‘ijskoude modder’. In gezelschap of in een menigte op straat wordt hij overspoeld door jaloezie ten opzichte van alle leven dat op zeker moment verder zal gaan – en wel zonder hem. Troost vindt hij niettemin in literaire fictie, met name in de boeken van onder meer  Conan Doyle en Agatha Christie. Verzonnen levens hoe grauw ook verzoenen hem met zijn eigen grauwe bestaan. Een aardig stukje postmoderne intertekstualiteit, aangevuld door nog wat inktzwarte pensées van geleerde en schrijver Blaise Pascal (1623-1662).
  Ook de opvattingen van zijn vrouw Prudence troosten hem. Zij gelooft in reïncarnatie, het ‘samsara’ van opeenvolgende levens, waarna de geest wordt opgenomen in het licht van het ‘nirwana’. Op het laatst, tijdens hun sprookjesachtige uitstapje naar het woud van Compiègne in herfsttooi, laat Paul zich toch ook meevoeren in deze opvatting, zij het niet onvoorwaardelijk: zijn bespiegelingen over een lange cyclus van wedergeboorten hebben allemaal een strekking van ‘het zou kunnen’. Het blijft in feite in de rede liggen dat het ‘anéantir’ het laatste woord zal houden. Het wereldbeeld van Houellebecq is dus ook bij dit open einde een overwegend uitzichtloos gegeven, hoewel momenten van groot geluk, en dan vooral in de (lichamelijke) liefde, nadrukkelijk niet uitgesloten zijn.
   De omvang van deze roman en de intenties van de maker doen denken aan À la recherche du temps perdu van Proust, zijn toon, opbouw en personages aan La comédie humaine van Balzac. Zijn cynische, niet geheel en al van nihilisme gespeende blik op de mensheid laat Houellebecqs inmiddels genoegzaam bekende verwantschap met Céline zien. Dat zit hem ook in zijn gebruik van spreektaal en invectieven, al gaat hij daar spaarzamer mee om dan zijn voorganger. Af en toe de lezer verrassen met een scheldwoord, een stukje straattaal of trendy register is effectiever dan een hele tirade. Het is dit recept dat Michel Houellebecq onverwisselbaar maakt, een handschrift in stijl. Daar kan men niet omheen. Het komt zijn leesbaarheid zonder meer ten goede en het zal de liefhebber af en toe een sardonische grijns ontlokken. 

PG

Michel Houellebecq: Anéantir
Flammarion, € 26,-