Het smeedwerk van herinnering

Een nieuw najaar, een nieuw boek! In oktober verschijnt-ie dan, de kloeke autobiografische roman die me vrijwel m’n hele leven gezelschap heeft gehouden, maar die wel nog eventjes geschreven moest worden. De eerste aantekeningen zijn gemaakt in 2008/9, waar het lang bij gebleven is: steeds kwam er van alles tussendoor, andere boeken, andere projecten, totdat begin 2019 de weg eindelijk vrij was om de draad weer op te pakken en nu eens grondig van begin tot einde en omgekeerd te ontrollen. Het schrijfproces, althans de moeizame aanloop ernaartoe, wordt overigens ook in het verhaal beschreven, is er fundament en onderdeel van.

Het boek is in al zijn helderheid niet gemakkelijk samen te vatten omdat het een heel smeedwerk behelst van verhaallijnen en herinneringen, zoals de titel al aangeeft. Maar goed, toch even een poging. Tegen de achtergrond van zo’n beetje de hele twintigste eeuw vertel ik over mijn familie en dan vooral over mijn grootvader Karl Josef Gellings. Deze was in 1892 geboren in Duitsland, werd in de Eerste Wereldoorlog door de Fransen krijgsgevangen gemaakt en wilde na zijn vrijlating emigreren naar Amerika.
Hij kwam echter niet verder dan  Rotterdam, ontmoette daar mijn oma Paulina en bleef er de rest van zijn leven wonen. Kort na zijn naturalisatie tot Nederlander maakte hij in Rotterdam het bombardement mee en speelde na de bevrijding een actieve rol bij de wederopbouw van de stad. Dat deed hij in zijn hoedanigheid van kunstsmid, een beroep waarin hij excelleerde en ook een zekere bekendheid genoot.

De iconische spuitkronen van de Rotterdamse Hofpleinvijver zijn van zijn hand, evenals de symbolische zon op het oogziekenhuis aan de Schiedamse Vest. Vanwege zijn scheppingsdrang en hang naar esthetiek heb ik me altijd met hem verwant gevoeld, en hij heeft me altijd gefascineerd, die kleine bescheiden man die tot een paar keer toe door de grote geschiedenis was ingehaald en uit wiens handen onveranderlijk betoverend werk tevoorschijn kwam.
  Heb ik hem goed gekend? Ja en nee. Hij stierf in 1959 toen ik net zes was, maar de herinneringen die ik aan hem bewaar zijn even scherp als intens. Hij droeg verschrikkelijke episodes uit de wereldgeschiedenis in zich mee, waar hij nooit over praatte, maar was in zijn grootvaderschap volledig aanwezig, een zachtaardige, speelse en liefhebbende opa. Hij maakte speelgoed voor me, timmerde daar zelfs een hele opbergkast voor en draaide af en toe om me aan het lachen te maken ‘een boom’ uit zijn dunne haar. Ook met oma Paulina had ik een sterke band, net als met een aantal andere familieleden, mijn grootouders van moederskant, mijn ouders, ooms en tantes, neven en nichten, die gaandeweg de revue zullen passeren.

Toch is het mijn grootvader Karl die letterlijk en figuurlijk aan de wieg heeft gestaan van de Rotterdamse jaren die ik parallel aan mijn kindertijd in Amsterdam heb meegemaakt. En daarmee komen we op nog een belangrijk onderdeel van het geheel: Rotterdam als smeltkroes van historische en persoonlijke gebeurtenissen, de havens als evenzovele poorten naar de verte, de intiemere singels, de schoonheid en het gebroken hart. Maar laat ik hier stoppen, ik heb al teveel verteld, en laat een ieder het boek zelf maar openslaan zodra het er is.  

Een voorproefje

Voor de schoorsteen in mijn zolderruimte staat een boekenmolen. Daarop prijkt een bronzen Don Quichot uit 1946. Niets is overgeslagen, de scheerpan die als helm dient, de golvende puntsik, het harnas met beenkappen, de laarzen en de daarop bevestigde sporen in de stijgbeugels. Ja, elk detail klopt, van het stoelvormige zadel tot de lange wimpers van Rossinant die over een helling van metaal omhoog sjokt. Mijn grootvader moet Cervantes met vrucht hebben gelezen, want ruiter en paard zijn zo weggelopen uit het boek. Af en toe leg ik mijn pen neer en draai me dan even om naar het beeldje. Ik denk dat ik wel snap waarom deze edelman opa Karl zo boeide. Had hij niet alle reden om de verbeelding van diens karikaturale streven naar heroïek te onderschrijven? De chaos en barbarij waartoe dat leidde, had hij tenslotte zelf van zo dichtbij meegemaakt.
  Als ik latere foto’s bekijk waar hij op staat zoals ik hem gekend heb, verbaast me zijn serene gelaatsuitdrukking. Vaak een lachje om zijn mond erbij. Zelfs kort voor zijn dood oogt hij nog jeugdig, verre van getekend. Naar een van die foto’s, een door mijn vader gemaakte zwart-witte vergroting, kan ik lang staren. Die brengt hem altijd overtuigend terug. Geamuseerd maar in gedachten, even geconcentreerd als verrast, zit hij op 5 december 1956 bij ons thuis in Amsterdam een Sinterklaassurprise uit te pakken.
  Ik was toen drie, maar herinner me veel van dat moment. Iedereen was er. Opa Karl, oma Paulina, kleine oma, oom Carl en mijn ouders. Opa Kok heb ik nooit gekend. Een avond van uitgestoken handen en lachende gezichten. Ik was het kroonprinsje, de stamhouder. Oom Carl filmde, maakte de hele tijd grappen, drukte me kwakend een eend van rubber tegen mijn neus, waar oma Paulina kwaad om werd. Er was een kachelzwarte Piet samen met zijn Sint bij ons op huisbezoek. In het grote boek stond dat ik vaak ’s avonds in bed mijn ouders lag te roepen. Dat mocht niet meer. En Zwarte Piet had ook voor mijn pasgeboren broertje Ernst een cadeau, waarvan het belang me ontging. De filmopnames van oom Carl zijn zoekgeraakt, daar moet ik toch eens achteraan. Wel is er nog een foto van mijn vader uit de serie van die avond. Daarop houdt mijn oom met één oog dichtgeknepen het toestel voor zijn gezicht.
  Mijn grootvader draagt een ruim zittend pak dat mijn herinnering marineblauw verft, een zilverwitte stropdas en manchetknopen. Aan zijn gezicht en handen kun je zien dat hij alle stof en ijzervijlsel uit de werkplaats van zich heeft afgespoeld. Er was daar aan de Soetendaalseweg een tot douche omgebouwde gangkast door mij de ‘regenkast’ genoemd. Naast onze zitbank een hoge schemerlamp waarvan de kap een even zacht als helder licht verspreidt, een smeedwerk van zijn hand dat ik heb geërfd.
  Het cadeau dat uit de surprise tevoorschijn komt, is een vaas waarvan hij de vormgeving welwillend maar kritisch bestudeert. Gruwelijke dingen meegemaakt en toch, gesoigneerd, schoon, goedgeluimd.
  Hoe kán dat? Het besef dat deze foto iemand afbeeldt die soldaat was in de Eerste Wereldoorlog doet me duizelen.   

PG

Het smeedwerk van herinnering
ISBN 97890 5452 401 4 / NUR 301
14×21,5 cm met binnenflappen, ca. 400 pagina’s; € 22,50
omslag Ruurd de Boer, DBDdesign

verschijnt oktober bij uitgeverij Passage