Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 3 Guests.

Zondagavondbuurt

omslag Ruurd de Boer

Zondagavondbuurt, mijn eerste bundel korte verhalen, werd op zaterdag 20 mei gepresenteerd  bij boekhandel Westerhof, Zwolle. Goede vriend en collega-schrijver Anton Brand hield bij die gelegenheid een schitterende inleiding. De muzikale omlijsting was van zanger Henk Klompenmaker, ook een goede vriend. 
Vervolgens een genoeglijke presentatie bij boekhandel Godert Walter, Groningen, op donderdagavond 1 juni. Daar werd ik door wederom een goede vriend en collega-schrijver over het boek aan de tand gevoeld, en wel door Ronald Ohlsen.
De presentatie in Amsterdam vond plaats op donderdagavond 8 juni bij boekhandel Pantheon te Amsterdam, met medewerking van de dichteressen Diana Ozon en Pauline Sparreboom.
Verder trad ik op tijdens het festival Zomerzinnen op 17 juni in het Drentse Amen.

Over Zondagavondbuurt. In dit nieuwe boek doe ik mijn best mijzelf van verschillende kanten te laten zien. Ieder verhaal biedt een blik in het leven van soms vreemde eenden in de bijt.

Van leraren die wel erg intiem zijn met hun leerlingen tot gewelddadige buschauffeurs, van een schimmige fantast die zijn omgeving jarenlang een rad voor ogen draait tot een wellustige tante die haar jonge neefje het bed in lokt, van een middeleeuwse monnik tot een Poolse menseneter en vele anderen.
Een belangrijk deel van deze bundel is doordrenkt van een aan mijn eerdere werk verwante dromerige, melancholieke sfeer, waarin de humor niet geschuwd wordt. Tevens heb ik een paar verhalen geschreven met sprookjesachtige dan wel absurdistische trekjes.
Hopelijk valt bij het lezen net zoveel plezier te beleven als ik bij het schrijven heb gehad.  (PG)

Eerder gepubliceerd: ‘De kannibaal’ in Tirade 465 (december 2016) en ‘De balgstuw’ in Hollands Maandblad 2017-2.

Hieronder de opening van ‘De balgstuw’: 

Het was januari en het stormde. Vanaf de dijk keken wij – Esmee, onze twee dochters van elf en zes en ikzelf – naar de schuimkoppen op het meer. Voor ons deinde de balgstuw: een honderden meters lange wervelkolom van kolossale witte schelpen, half zeeslang, half schaaldier. Het gevaarte had zich afgelopen nacht gevuld met lucht en water om de opgezweepte golven te temmen.
  Nee, hier had de storm geen schijn van kans, stelden we vast terwijl we rechtsomkeert maakten naar het parkeerterrein.
  Plotseling werd onze jongste door een windvlaag opgetild en schoot voor onze ogen weg, het meer tegemoet.
  Had er precies op dat punt en die zondagmiddag geen auto op de rand van de dijk gestaan, ze was het kolkende water in geblazen. In een flits zag ik mezelf haar achterna springen. Maar had ik haar teruggevonden? Waren we niet allebei door de stroming meegesleurd en geëindigd in zo’n krantenberichtje dat iemand na het weekend leest, zielsdankbaar dat dit alleen anderen overkomt?
  Mijn dochtertje snikte het uit. We namen haar ieder bij een hand, met sussende woorden en bonkend hart.
  Tijdens de terugweg in de auto hield ze, getroost door onze oudste, op met huilen en kwam er weer wat rust in mijn gedachten. Esmee reed. Overal rukte en duwde de januaristorm. Ik wierp een laatste blik op de rubberen dam achter ons en zei: ‘Zullen we even bij Waldo gaan kijken?’
  ‘Dat is goed,’ antwoordde Esmee. ‘Dan mag hij uitleggen waarom zijn telefoon is afgesloten.’
  ‘Of waarom hij een ander nummer genomen heeft.’
  ‘Dat kan ook.’
  ‘Alles kan. Je weet het nooit bij hem.’
  De meisjes vonden het een goed idee. Waldo en Tosca hadden een zoontje van een jaar dat Vincent heette, en het was altijd een feest om met hem te spelen.

Waldo zat al vanaf de vorige avond in onze kop. We hadden lang nagetafeld, en nadat we de kinderen naar bed hadden gebracht, was de vraag gerezen hoe het met hem ging. Zijn vader was tussen kerst en oud en nieuw gestorven. We waren begin januari naar de begrafenis gegaan, hadden Waldo’s moeder en broer gecondoleerd, broodjes gegeten met Waldo en Tosca, gemopperd op de laksheid van ziekenhuizen rond de feestdagen, en bij het afscheid hadden we gezegd dat we elkaar snel weer zouden treffen. Daarna hadden we ze niet meer gezien. Dat was nu drie weken geleden.
  ‘Gewoon maar bellen,’ had ik geopperd. ‘Het is nog geen halfelf.’
  Esmee had haar telefoon gepakt en Waldo’s nummer gekozen.
  ‘Afgesloten,’ had ze geconstateerd.
  Het verbaasde ons nauwelijks. We hadden al veel met Waldo meegemaakt.
  ‘Probeer zijn mobiel eens.’
  Dit leverde een ingeblikte damesstem op die vertelde dat het nummer niet meer in gebruik was.
  ‘Het is weer zover,’ zei ik.
  ‘Of hij heeft zijn rekening niet betaald.’
  ‘Nee, volgens mij is hij de boel weer aan het afgrendelen.’
  ‘Wie weet…’
  Omstreeks middernacht waren we naar bed gegaan en hadden nog lang liggen luisteren naar de wind die om het huis raasde en af en toe beneden door de gang floot, van de voordeur tot in de keuken en terug.
  Het waaide niet minder hard in de lege, zondagse straten waardoor we nu zwijgend naar het huis van Waldo en Tosca reden. Omdat het pleintje waar ze woonden vol stond met auto’s, moesten we om de hoek parkeren.
  Het zal toch niet, het zal toch niet, dacht ik terwijl we uitstapten, in hetzelfde stormgeweld als aan het meer.
  ‘Straks zijn ze vertrokken,’ zei ik half voor de grap tegen Esmee en de kinderen.
  Maar mijn vermoeden bleek te kloppen. De woning stond leeg. We keken er dwars doorheen.

–  wordt vervolgd –