Yil

Columns schrijven viel me allengs zwaarder. Voorraad genoeg, daar niet van. Alleen stond het me tegen om daaruit te putten. Dat heb ik wel vaker bij eerder geschreven werk: het is niet meer van mezelf en bezorgt me bijna het gevoel dat ik zit te jatten van een ander. Bovendien zijn columns al gauw over de datum, en een ongebruikte is, voor zover niet onderhevig aan bederf, in elk geval zijn smaak binnen een week al kwijt.

Nee, ik moest en zou steeds iets nieuws maken – geen ouwe kost opbakken. Dat betekende dat ik mezelf telkens weer moest uitvinden, overal een mening over moest hebben, leuk zijn, bijdehand meezingen in het duizendkoppig koor van columnisten. De opdracht van hoofdredacteur Lennard Bertram – persoonlijk, maatschappelijk, regionaal – loog er ook niet om, en autoritaire ingrepen voerden de druk nog eens op.

Yil

Ik vroeg me af hoe anderen deze druk ondergingen. Yiltan Irmak alias Yil trok twee keer per week moeiteloos zijn trommel onderwerpen open – politiek, integratie, segregatie, populisme, racisme, sociale media – en preekte er lustig op los. Voor eigen parochie welteverstaan: steevast begonnen zijn columns met tromgeroffel als: ‘Toen ik doorbrak als schrijver’, ‘Tijdens een van de talloze lezingen die ik geef voor scholen en bibliotheken’ of: ‘Wie mijn romans leest, merkt onmiddellijk dat…’ enzovoort. 

In de dagbladpers was hij inmiddels opiniemaker nummer één. Ook in het LD stond hij nu op de tweede pagina van het hoofdkatern. Daarnaast verscheen hij elke week minstens één keer in De zin van de waan om de wereld uit te leggen. Zijn uitspraken werden alom aangehaald en om hun scherpte geroemd. Kennelijk had men behoefte aan schrijvers uit islamitische culturen die hier lessen in vrijdenken kwamen geven. Mijn vriend en collega Tijl Kramer noemde hem onze ‘seculiere imam’.

We hebben een keer op bierviltjes geturfd hoe vaak Yiltan, zich nog steeds presenterend als gevestigd en spraakmakend romancier, zijn columns begon met een veer in eigen reet en tersluiks reclame maakte voor zijn eigen boeken.

Daarnaast noteerden we de stadhuisachtige bewoordingen die hij koos om een zo Nederlands, en vooral een zo eloquent – ook een term van hem – mogelijke indruk te maken. Termen als ‘zulks’, ‘prudent’, ‘logenstraffen’, ‘bezigen’; uitdrukkingen als ‘je in je kuif gepikt voelen’, ‘een wit voetje halen’, ‘op het schild hijsen’, ‘koren op de molen’, ‘veel geschreeuw en weinig wol’, ‘victorie kraaien’ – kortom, een heel arsenaal dat je bij zichzelf respecterende Nederlandse journalisten allang niet meer tegenkwam omdat het op de lachspieren zou werken maar dat Yil omhulde met een waas van wereldwijsheid.

Yil de inburgeringskampioen. Hij deed denken aan Mehmet Pamuk, het indertijd door Kees van Kooten bedachte Turkse typetje dat struikelend over onbegrijpelijke maar vloeiende volzinnen aardappelen gaat kopen bij een krompratende Haagse groenteboer.

Ook talkshowhost Myra Melchior produceerde gladjes haar knusse kletspraat over kinderen, dieren, bejaarden, vluchtelingen en al wat in deze harde wereld een moederarm om zich heen behoefde. Ik stelde me zo voor dat Yil en zij beschikten over permanente bronnen morele verontwaardiging en mededogen en deze op elk gewenst moment konden aanboren. Hoe ik daarbij kwam? Dat vertelden ze zelf! Vrijmoedig lieten ze de lezer bij hen in de keuken kijken door veelvuldig te zinspelen op het gemak, de inspiratie, alle energie waarmee ze schreven. Vooral Myra. Maar ook Yils pen werd onontkoombaar door hogere machten aangestuurd.

PG