Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 3 Guests.

Literair ramptoerisme

De serie Oorlogsboeken van Onno Blom is iets waar ik momenteel wekelijks bij het lezen van de Volkskrant naar uitkijk. Komt dat door de heldere en prettige manier waarop Blom in zijn besprekingen deze romans nieuw leven in blaast? Of doordat het iconische boeken zijn, met een tijdloze vorm en inhoud? Allebei, denk ik.

Je krijgt in elk geval veel zin De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve, De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans, De aanslag van Harry Mulisch en veel meer nog te herlezen, alsof het om nieuwe, langverwachte titels van grote schrijvers gaat. Op sociale media kwam ik wat gemor tegen omdat Blom niet dit oorlogsboek of die bezettingsroman besprak. Van mij mag hij best de meest indringende werken selecteren, aan een keuze ontkom je juist bij het veel in literatuur verwerkte oorlogsthema toch niet.

De keuze van Blom brengt me op het volgende. Behoudens Het Achterhuis van Anne Frank dateren de door hem genoemde boeken van na de oorlog, dus ook Pastorale 1943 van S. Vestdijk uit de nazomer van 1945; de meeste zijn van nog veel latere makelij, zoals Strepen aan de hemel (1985) van G. Durlacher dat Blom in de VK van 9 mei besprak. In vrijwel alle denkbare gevallen is er dus overduidelijk een gistings- of rijpingsproces aan voorafgegaan. Wat mij op het volgende brengt. 

In de VK van 9 mei stond eveneens een zeer lezenswaardig artikel van Emma Curvers over de te verwachte coronaliteratuur, een hausse waarvan de eerste golf ons het komend najaar zal bereiken. Verscheidene schrijvers zitten al als bezetenen te pennen, die willen de boot niet missen, de coronacrisis is ‘hot’, succes verzekerd. Zolang er niets is verschenen, kan ik natuurlijk geen sluitend oordeel geven, maar mijn verwachtingen zijn niet hooggespannen waar het gaat om dit literaire ramptoerisme. Het is alsof in 1941 of 1942, toen de historische situatie nog maar ternauwernood te overzien was en de afloop ervan bovendien uiterst onzeker, iemand een wereldfabel wil publiceren waarin hij terugblikt op oorlog en bezetting, bijna een toekomstroman die waarschijnlijk in pijnlijke mate niet zal kloppen of een vroeggeboorte die de bevalling niet zal overleven. Misschien heeft non-fictie in die zin meer levenskansen dan fictie (cf. Anne Frank), maar dan toch het liefste in de vorm van een dagboek of kroniek die het beste pas als er in retrospectief iets zinnigs over valt te zeggen kunnen verschijnen.

Ter illustratie nog even twee voorbeelden buiten Bloms selectie: La Peste, die grote oorlogsmetafoor van Albert Camus, verscheen in 1947; Het stenen bruidsbed van Harry Mulisch zag in 1959 het licht, Kort Amerikaans van Wolkers in 1962. Het zijn bezonken romans waarin belangrijke facetten van de achterliggende catastrofe worden belicht, mede en vooral dankzij het feit dat aan alle voorwaarden van rijping en gisting is voldaan. Mijn scepsis tegenover de nakende crisisboeken zal misschien ongegrond blijken – er kan zomaar een meesterwerk tussen zitten (wat dan vermoedelijk niets met het onderwerp te maken heeft maar met stijl en zeggingskracht). Op dit moment betwijfel ik evenwel of dat het geval zal zijn bij de eerste coronaboeken, waar geen echte innerlijke noodzaak aan ten grondslag lijkt te liggen; veeleer een zucht naar onmiddellijk effect, voer voor talkshowtafels. En dat alles nog voordat de werkelijke geschiedenis goed en wel geschreven is.

PG
13 mei 2020