Beste Joost

Meestal beantwoordde je per omgaande mijn brieven, maar dit bericht zal onbeantwoord blijven, wat ik maar niet kan geloven. De tijd is precies een week geleden blijven steken, op dinsdagavond, toen tijdens een vergadering mijn buurman op zijn iPhone keek en zei: ‘Hé, Joost Zwagerman heeft zelfmoord gepleegd.’

In literair café In de Sinnepoppen, maart 1994

Dat is een metafoor, dacht ik op dat moment verdwaasd. Zoals een minister politiek zelfmoord kan plegen door zijn kop in de strop van zijn eigen domme gedrag te steken, heb jij dat nu gedaan door bijvoorbeeld te beweren dat De Nachtwacht een vervalsing is. 
  Maar je hebt écht de stap gezet, al heb ik nog steeds het gevoel vast te zitten in een boze droom.
  Een gevoel gevoed door twee dingen die niet te rijmen vallen met je zelfmoord. In een kladversie van De jacht op de klaproos, mijn boek over de affaire-Tuitjenhorn, kwam je voor als personage en je vroeg of ik je onherkenbaar wilde maken. Dit om je kinderen te beschermen tegen de narigheid rondom je scheiding. Je kinderen waren alles voor je – nog zie ik Daantje op je arm, hoe je haar gloeiende wangetjes streelde na haar eerste prikje… Hoe onvoorstelbaar radeloos of verward moet je dus zijn geweest om al dit kostbaars zomaar op te geven.
  Dan, het sms’je, dat je mij afgelopen zomer stuurde. Ik had je gecondoleerd met het overlijden van Rogi Wieg en dit schreef je terug: ‘Dank je, Paul. Hij was mijn beste vriend en zijn dood was onnodig.’ Geen woorden voor een potentiële zelfmoordenaar.
  Ik heb je gekend als een altijd haastig iemand: deadlines, optredens, radio, tv, enzovoort. Zo waren ook onze ontmoetingen in Zwolle – waar je graag kwam – vaak races tegen de klok. Begrijpelijk allemaal. Maar over je dood kan ik niet anders zeggen dan: deze haast was toch niet nodig, Joost, het leven is al zo kort.

 

PG

(AD/De Stentor, 15 september 2015)