Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 2 Guests.

Tot het uiterste gedreven: over de dood van huisarts Nico Tromp

Lezing gehouden op 23 september 2016 op de nationale conferentie ‘Suïcidepreventie, waarom faalt ‘t?’

Beste toehoorders,

Voor u staat iemand die zich in een spagaat bevindt tussen feit en fictie en die zich vanuit dat lastige parket vandaag op een houtsnijdende manier moet uitspreken over de zelfgekozen dood van Nico Tromp. Ik heb het over de affaire-Tuitjenhorn die in oktober 2013 niet eindigde maar juist begon en – als gevolg van kwade trouw, moedwillige misleiding en angst voor gezichtsverlies bij de overheid – tot op de dag van vandaag voortduurt. Over de ethische, professionele verantwoordelijkheid van diezelfde overheid kom ik, ook in juridische zin, nog te spreken.
Een netelige positie dus. Maar ik zal mij toch naar beste kunnen inspannen om uit te leggen waarom ik juist over de affaire-Tuitjenhorn een roman geschreven heb en om, in dat licht bezien, ook iets zinnigs te zeggen over de omstandigheden die aan de suïcide van huisarts Nico Tromp hebben bijgedragen.

Pro memorie
thornHuisarts Nico Tromp uit Tuitjenhorn werd in 2013 na (door alle betrokkenen en nabestaanden zeer gewaardeerde!) hulp aan een patiënt in doodsnood vanwege te hoge doses morfine en dormicum beschuldigd van moord, zonder dat er enig hoor of wederhoor was toegepast. Niet door de coassistente die vond dat ze haar facultair begeleider van het AMC moest inlichten over Tromps optreden, niet door het AMC, terwijl het hier toch ging om een ervaren en vertrouwde artsopleider, en niet door de IGZ die nota bene het OM inschakelde, wat leidde tot een intimiderende politie-inval in de woning en de praktijk van Tromp, twee weken later gevolgd door een reeks intensieve verhoren.
Het mag dan ook niet verwonderlijk heten dat de arts wegens ernstige psychische klachten zijn werk moest neerleggen. Zijn zinloze schorsing door de IGZ begin oktober 2013 was dan ook een trap na, een ‘laatste duw’, zoals René Diekstra het verwoord heeft in zijn gelijknamige column van 25 juni jl. Aan het eind van mijn betoog zal ik terugkomen op de schuldvraag in deze, en die vraag stellen is hard nodig, daar waar twee ministers, Schippers en Van der Steur, nog steeds voor elke morele en juridische verantwoordelijkheid wegvluchten. Zij blijven zich maar sterk maken met de twee tendentieuze evaluatierapporten die op 31 maart 2015 gepresenteerd werden – onderzoeksresultaten waarvan de weduwe van huisarts Tromp terecht heeft opgemerkt dat de menselijke maat erin ontbreekt.
Wat mij in deze kwestie van meet af aan niet geïnteresseerd heeft, is de vraag of Tromp zich al dan niet aan de richtlijnen heeft gehouden. Wel zeg ik daar onverbloemd over dat een arts die in een noodsituatie buiten de euthanasiewetgeving handelt, nog lang geen moordenaar is, verre van dat.  Nee, het ging en gaat mij om de wijze waarop Tromp behandeld is, overheidsoptreden moreel, sociaal en juridisch verwerpelijker dan wat de arts zelf is aangewreven. Dát is in mijn ogen het enige levensdelict in de affaire-Tuitjenhorn. En wat dit gegeven extra wrang maakt, is dat het ondanks de recente uitspraak van de Raad van State nauwelijks tot de IGZ lijkt door te dringen dat de schorsing van een door ziekte gevelde Nico Tromp in oktober 2013 meer een misdaad tegen de menselijkheid was dan een beleidsfoutje waar je na slapjes ‘sorry’ zeggen ‘verbeterpunten’ dan wel ‘maatwerk’ op los kunt laten, waarna het leven vrolijk verder gaat.

Het boek
omslag Klaproos+stickerkopieDe ontstaansgeschiedenis van De jacht op de klaproos verliep als volgt. Zoals de meesten onder ons nam ik begin oktober 2013 kennis van de zaak-Tromp. Wat mij in deze kwestie meteen stoorde, was de grote stelligheid waarmee de verdachtmakingen van de betrokken instanties aan het adres van Tromp overgenomen werden door de media, de omtrekkende bewegingen en de arrogantie van diezelfde instanties (bijvoorbeeld in de persoon van een mevrouw van de IGZ die het allemaal heel goed leek te weten) en de houding van de ministers Schippers en Opstelten. Zij hebben toen absoluut voor hun beurt gepraat door, lang voordat er enig onderzoek verricht was, te stellen dat de instanties geen blaam trof in de affaire-Tuitjenhorn.
Ook was ik plaatsvervangend kwaad over het machtsvertoon waarmee de inval van justitie, politie en inspectie zich had voltrokken in de woning en de praktijk van de arts. Dat vond ik ‘Poetin light’ – nee, dat laat dat light maar weg. Bovendien, als het AMC het dan toch niet kon laten vraagtekens te plaatsen bij het overlijden van Theo Spaansen, wat was er dan op tegen geweest om hierbij het Medisch Tuchtcollege in te schakelen en dus de dingen daar te laten waar ze thuishoren?
Nico Tromp had zich dan kunnen verdedigen. Wellicht had hij een waarschuwing of berisping gekregen en op grond daarvan de intentie hebben uitgesproken zijn medicatie en zijn handelen voortaan meer in overeenstemming te laten zijn met de richtlijnen – al weet iedereen natuurlijk dat zich situaties kunnen voordoen waarin juist de richtlijnen het gevaar vormen. Neem de aanslag in Parijs in november 2015 waar de gespecialiseerde eenheden klaarstonden om in te grijpen maar daartoe geen opdracht hadden, zodat het neermaaien van bezoekers in het Bataclan-theater nog enige tijd door kon gaan.
Snel terug naar Tuitjenhorn. Later zag en hoorde ik Jan Spaansen, de broer van Theo Spaansen, bij Pauw en Witteman in retrospectief het vertrouwen uitspreken in Tromp en vertellen hoe bot en kil zijn schoonzusje bijna als medeplichtige aan een moord met voorbedachten rade was verhoord door de politie. Theo’s weduwe, Elly Spaansen-Louwe, kwam zelf aan het woord en bevestigde wat haar zwager had verteld. Iets wat ook blijkt uit het politierapport dat ik van haar heb mogen inzien.
Grote indruk maakte in dezelfde tijd ook het relaas van Anneke Tromp, de weduwe van de overleden huisarts, op mij. Hoe zij tijdens een aflevering van Nieuwsuur verdrietig maar bezonken het begrip erbarmen voor het voetlicht bracht en uiteenzette wat haar man Nico was aangedaan. Ik geloof dat in dat najaar van 2013 mijn bloed steeds meer begon te koken, de hele tragische geschiedenis liet me niet meer los. Hier waren stelselmatig voorwaarden geschapen voor een suïcide die juist voorkomen had kunnen worden.
Is dat alles nu een reden om een roman te schrijven? Als je zoals ik voortkomt uit de poëzie, het maken van gedichten, dan vloeit schrijven voornamelijk voort uit een artistieke, innerlijke noodzaak en ga je niet per se op zoek naar een cause célèbre om je te manifesteren. Toen ik begon te schrijven, had ik dus niet gedacht dat ik juist hierover zou gaan schrijven.
Maar het gebeurde. Ik begon aan een soort van pilot, waarin een arts, Stefan Mandema geheten, na zijn dood of in een droom – misschien wel in een morfineroes –  een lange wandeling maakt door een landelijk gebied en daar gezelschap krijgt van zijn vroegere hoogleraar medische ethiek. In het verlengde daarvan ontrolde zich een verhaallijn bestaande uit terugblikken op de loopbaan van Stefan Mandema en op alles wat hem na zijn hulp aan een terminale patiënt was overkomen.
En zo ging het verder, smolten mijn morele verontwaardiging om de zaak-Tromp en mijn innerlijke noodzaak samen. Ik moest dit boek schrijven, bij wijze van monument voor de overleden arts en anderen in een vergelijkbare situatie, én als schotschrift tegen de praktijken van een kille en ruwe overheid.
Dat het project lukte was tevens te danken aan het feit dat de geschiedenis van meet af aan een duidelijke plot in zich droeg, een samenhang waarin grote oorzaken nog grotere gevolgen – vertwijfeling en suïcide – bleken te hebben. Daar heb ik gebruik van gemaakt, en in die zin is het boek een reconstructie.

Feit en fictie
Binnen diezelfde reconstructie – bijvoorbeeld waar het handelt om het persoonlijk leven van de personages – is niettemin het een en ander verzonnen. Ik heb daarvoor gekozen om geen inbreuk op de privacy van de werkelijke betrokkenen te plegen en ook omdat ik geen sleutelroman of streekroman over Tuitjenhorn wilde schrijven maar een universeel drama.
Toch is er meer verzonnen. Zo zijn er in de bestaande werkelijkheid nog andere artsen betrokken geweest bij het sterven van Theo Spaansen; in mijn boek alleen huisarts Stefan Mandema. Dan de volgorde waarin bepaalde gebeurtenissen zich afspelen. In werkelijkheid heeft eerst de politie-inval plaats, pas enige tijd later volgt de schorsing van Nico Tromp. Dat is in het boek omgekeerd en in die context heeft de inval meteen plaats nádat mijn hoofdpersoon een brief van de IGZ heeft ontvangen. Ten slotte slikt Stefan Mandema aan het eind van mijn verhaal pillen en is het maar de vraag of hij sterft. En wat hem over het randje duwt is niet de onrechtmatige, stompzinnige schorsing door de IGZ maar een justitieel verhoor in een GGZ-instelling.
Ik zou mij nu kunnen verschuilen achter het begrip fictie of verhaaltechnische/ verhaaldramatische overwegingen, maar de waarheid is dat ik in het najaar van 2013 nog niet beschikte over alle informatie en wat impulsief en intuïtief aan het schrijven ben geslagen. Dat ging al wel gepaard met een zekere schroom… Ja, wie was ik om zomaar met andermans drama – het heftige sterfbed van Theo Spaansen en  de suïcide van Nico Tromp – aan  de haal te gaan?
Gelukkig wilde de familie Spaansen niets liever dan mij erbij helpen en sprak, vlak voordat het boek verscheen, Anneke Tromp haar vertrouwen uit in de oprechtheid van mijn bedoelingen. Dat stelde me gerust, en ik ben hier dankbaar voor.
Omwille van de geloofwaardigheid van de roman heb ik ondanks mijn aanvankelijke impulsiviteit intensief research gedaan. Drie artsen hebben over mijn schouder meegelezen en mij het een en ander uitgelegd over het functioneren van een medische praktijk en het disfunctioneren van de IGZ, de familie Spaansen heeft mij veel belangwekkende details aan de hand gedaan omtrent de ziektegeschiedenis van Theo (en daarbij haar waardering voor de humaniteit van het handelen van Tromp niet onder stoelen of banken gestoken).
foto's site I 009Verder heeft schrijver Joost Zwagerman – wiens leven in 2011 door Tromp en zijn vrouw was gered en die zelf van plan was een boek over de affaire-Tuitjenhorn te schrijven – heel collegiaal bepaalde informatie met mij willen delen. Hij heeft mij uiteindelijk wel verzocht hemzelf als personage uit het verhaal te halen, althans onherkenbaar te maken, wat ik uiteraard gehonoreerd heb.
Heel verdrietig dat Zwagerman een jaar geleden eveneens door eigen hand stierf. Ik verloor daarmee een dierbare vriend en collega; de familie Tromp een belangrijke steun en toeverlaat. Hoe dan ook: ik heb waardevolle bronnen mogen gebruiken bij het schrijven, iets waarvoor ik ook heel dankbaar ben.
En toch heb ik de meeste kennis van zaken pas opgedaan ná het verschijnen van De jacht op de klaproos en misschien zou ik met deze kennis nu een heel ander boek schrijven. In feite was de roman voor mij nog maar het begin van mijn deelname aan het debat of, zo men wil, de polemiek over de affaire-Tuitjenhorn. Ik heb na de verschijning van De jacht op de klaproos meermalen van mij laten horen in opiniestukken en in een vraaggesprek met Elly Spaansen-Louwe, de weduwe van Nico Tromps overleden patiënt. Centraal in dat gesprek stond het gegeven dat zij en haar man beslist wél hadden ingestemd met Tromps optreden. Dat was in haar ogen onvoldoende aan de orde gekomen rondom de uitspraak van de bestuursrechter op 2 juli 2015. Deze had geoordeeld dat de schorsing van Tromp in 2013 rechtmatig was geweest, een oordeel waarvan de Raad van State, zoals men weet, op 1 juni jl. gehakt heeft gemaakt.

Universeel drama
nagelenBlijft het universele drama dat ik al noemde – en op dat punt vallen feit en fictie onbarmhartig samen – de tragiek van een individu dat vermalen wordt door de instanties, publiekelijk aan de schandpaal wordt genageld en ten slotte tot het uiterste gedreven, het omgekeerde van preventie.
Maar alvorens aan die laatste observatie mijn conclusie te verbinden zou ik graag ter illustratie een korte episode uit De jacht op de klaproos voorlezen. Een passage waarin huisarts Stefan Mandema zichzelf, als gevolg van een verhoor, nota bene in GGZ-instelling De Kollenbloem waar hij is opgenomen, volledig kwijtraakt en een noodlotsbesluit neemt.

Citaat:
Mijn artsen hadden geen bezwaar [tegen het verhoor] gemaakt. Mijn raadsman evenmin.
Dat laatste vond ik vreemd: werd Hendriksen niet een tikje overmoedig?
Een gedachte die meteen vervloog. Ze deden maar.
Loom liet ik mijn hoofd over het hoge kussen in mijn stoel rollen terwijl mijn ogen van de een naar de ander zwenkten. Tja. Twee jonge functionarissen, die daar op het terras achter De Kollenbloem over mijn rug aan hun toekomst bouwden met telkens weer dezelfde vragen. Weer of ik Wouters ziekbed toch niet op het laatste moment in een sterfbed had veranderd. Weer of ik de grenzen van palliatieve sedatie niet heel wijd had opgerekt met een overdosis aan morfine. Weer of er in mijn eigen ogen toch niet stiekem sprake was van euthanasie. Voor één keer meewerken zou toch werkelijk in ieders belang zijn. Besefte dokter Mandema dat dan niet?
Ik vroeg me af of net niet gezegd was dat het om een formaliteit zou gaan terwijl dit op een kruisverhoor begon te lijken. Maar ik maakte geen bezwaar, gaf machinaal antwoord en wist na afloop niet meer wat ik het ijverige duo allemaal verteld had. Bleef alleen het gevoel zwaargewond te zijn, een bloedverlies waar niets meer tegen hielp.
Ook niet als ik het proces zou winnen en mijn schorsing zou worden beëindigd. Ik was te ver heen om er nog gedachten aan te wijden, het was voorbij.
Ik was het ook niet, het was een leeggebloede schim die door de gangen zweefde, naar mijn kamer waar ik een aardige voorraad medicijnen opgebouwd had. Nee, ik was dat niet, anders had ik nog wel ‘dag Kirsten, dag Emma, dag Reinbert’ of alleen ‘tot ziens allemaal’ [naar mijn gezin] geroepen.
Maar in die kleine witte ruimte was ik het toch zelf weer die na een paar minuten slikken het glas water terugzette op het nachtkastje, mijn ogen sloot en aan een lange wandeling begon.’
Einde citaat.

Prinsjesdag 2013 - Aankomst ParlementariÎrs

Minister Edith Schippers. Onder haar verantwoordelijkheid gingen IGZ en GGZ Den Helder in de fout.

Dood door schuld
Mijn conclusie ten slotte zou ik willen koppelen aan het thema suïcidepreventie in het teken waarvan deze conferentie staat. Hebben de instellingen in mijn verhaal en in de bestaande werkelijkheid door hun trits aan misstappen – AMC, IGZ, OM – een huisarts tot suïcide gedreven?
In het Kamerdebat hierover op 29 april 2015 had minister Schippers er weinig meer over te melden dan dat het in die gedachtegang ging om ‘aannames’. Daarom zoem ik nu in op het woord ‘aanname’ waar het bijvoeglijk naamwoord ‘aannemelijk’ een afgeleide van is. Want, en daar vallen werkelijkheid en boek weer samen, het is aannemelijk dat de instanties niets gedaan hebben om deze suïcide te voorkomen. Bij het schrijven van De jacht op de klaproos is het in elk geval steeds mijn streven geweest duidelijk te maken dat een andere, minder hysterische benadering van wat zo nodig een ‘levensdelict’ moest worden ongetwijfeld wel een zekere preventie in zich had gedragen. Nu is er daarentegen sprake van een ernstig, strafbaar feit, waarvoor de Nederlandse staat nog steeds vervolgd kan worden. Een conclusie die zowel in de bestaande werkelijkheid als in De jacht op de klaproos besloten ligt.
Algemener gesteld: een suïcide voltrekt zich niet zelden mede onder invloed van dwingende sociale factoren en anderen kunnen door nalatigheid (bijvoorbeeld door het verzaken van hun zorgplicht, lees: niet verlenen van hulp in nood) of door het uitoefenen van druk medeverantwoordelijk voor een zelfgekozen dood gehouden worden en zullen zich daarvoor derhalve ook te verantwoorden hebben. Niet alleen moreel of professioneel, dan komen er alleen maar glibberige excuses met de waarde van ongedekte cheques, maar zeker ook in juridische zin. Zij hebben zich tenslotte schuldig gemaakt aan een misdrijf, in casu aan hulp of – waar het gaat om Nico Tromp – aanzet tot zelfdoding. En hulp bij zelfdoding is strafbaar, al kun je je afvragen of deze zaak niet veeleer een geval is van dood door schuld, het enige echte levensdelict in de affaire-Tuitjenhorn. Ik zei dat eerder. Ik kan het niet vaak genoeg zeggen. Want in karaktermoord, beste toehoorders, kunnen zich de kiemcellen verschuilen van een suïcide, en zouden de instellingen die ons dienen te beschermen daar niet op z’n minst een les uit moeten trekken?

PG

Klik hier voor meer over de conferentie.