Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 4 Guests.

De wereld als leugen

Omslagontwerp – en foto! – Ruurd de Boer

Hoe zou ik, zonder al te veel te ontsluieren, De wereld als leugen het beste kunnen omschrijven? Ik denk als een eigentijdse fabel met meerdere gezichten.
Allereerst is het de geschiedenis van Milan Hartwich, een niet al te succesvolle schrijver-journalist, die per ongeluk met Nederlands populairste talkshow-presentatrice Myra Melchior een romance op en na het boekenbal beleeft. Omdat zij daarna iets heeft uit te leggen aan de roddelpers besluit ze hem maar tot haar biograaf te bombarderen, waarna alles maar dan ook alles misloopt.
Daarnaast is deze roman een satire op het opportunisme van redacties van kranten en talkshows en op de vervlakking en verplatting van de letteren als gevolg van mediabemoeienis. Vooral schrijver Tijl Kramer, collega-columnist en kroegmakker van Milan, stelt deze verschijnselen vlijmscherp aan de kaak.
Een derde laag bestaat uit een sprookje dat, zoals wel vaker onder mijn pen gebeurt, een geheimzinnig eigen leven gaat leiden.

Na hun toevallige ontmoeting op het Leidseplein besluit Myra Melchior in een opwelling om Milan mee te nemen naar het boekenbal. Het lijkt echter of ze daar meteen spijt van heeft, want al tijdens de openingsspektakel moet hij ergens anders zitten…


‘Een paar meter voor de ingang van de schouwburg liet ze me plotseling los en versnelde haar pas. Camera’s snorden, klikten. Microfoons duwde ze opzij. Niet onvriendelijk: haar lachje bleef. ‘Nee jongens, echt niet, leuk geprobeerd, maar jullie weten toch dat ik dit alleen op afspraak doe.’’ (p. 63)

De voorstelling was grensverleggend en literair bedoeld. Een divan op het podium met een naakte man vadsig liggend op zijn zij. Tijl Kramer had deze eens omschreven als ‘wandelend overgewicht met levend hoofdonrein’.
  Lang haar drapeerde zijn schouders, een snor halveerde zijn pafferige trekken. Een buikplooi hing over zijn geslacht. Dat laatste stond hem niet aan; hij trok de plooi – meer een groot uitgevallen oorlel – wat omhoog, ging draaiend met zijn bovenlichaam verliggen, waarna er een paarsblauw stompje zichtbaar werd.
  Toen hij over een scheef brilletje de zaal in blikte, barstte er applaus los.
  ‘Ik ben de potentaat van de idyllen,’ galmde hij vervolgens. ‘Goede lieden, dempt toch uw gelal en luistert naar mijn godenbral. Hedenavond weliswaar te kort, wat niet wil zeggen dat het nu een haiku wordt…’
  Het vervolg werd overstemd door hernieuwd geklap en aanzwellende harpmuziek, maar ik luisterde al niet meer. Ik probeerde in het donker Myra in beeld te krijgen, haar hals, om die in gedachten te kussen, wat niet lukte. Ik zag alleen een massa hoofden, basaltblokken, zachtjes deinend op de woorden en de klanken die samenvloeiden op het toneel.   
  ‘En heb ik eenmaal afgerekend met het brekend, brekend licht van stille dansers in hun dichtersjasje, dan staat toch buiten kijf dat de retor in dit goddelijke lijf…’
  Ondanks alle applaus werd niet iedereen bekoord door deze voordracht. Uit het basalt in de rijen voor de mijne maakten zich gestalten los die door een zijdeur verdwenen. Ook ik hield het voor gezien en hinkelde langs geïrriteerd ingetrokken benen naar het zijpad.
   In de zalen waar een bar stond was het rustig. Ik bestelde een flesje bier en vroeg me af of ik nog de gelegenheid zou krijgen Myra een glas wijn aan te bieden.

[Gedurende het hele bal komen Milan en Myra slechts vluchtig met elkaar in aanraking. Ze wil zo min mogelijk met hem gezien worden. Maar net als hij alle hoop heeft laten varen, geeft ze te kennen hem na afloop te willen treffen, voor Hotel Américain.]

Onze ontmoeting leek op een sigarettenreclame uit de vorige eeuw. Stad bij nacht. Een zwart-wit foto van een grande dame in een nerts, bevallig leunend tegen een straatlantaarn naast een fontein. Ze houdt een sigaret omhoog terwijl een man haar nadert met een vuurtje. Ik bedacht dat ik maar het beste van achteren, als silhouet, kon worden gefotografeerd, want ik was een wandelende stijlbreuk in mijn vliegeniersjack en spijkerbroek.
  De betovering werd verbroken doordat vlakbij iemand overdadig over zijn nek ging. Hij had de prullenbak op de rand van het trottoir niet gehaald en stond er, dubbelgeklapt, handen op de knieën, naast te kotsen. De dichter uit het openingsspektakel, gehuld in een astrakan pelsjas. Oerkreten uit zijn binnenste. Slierten slijm en braaksel in het lange haar dat steeds voor het brilletje op zijn neus woei. Er dreef een wolk maagzuur onze kant uit.
  ‘Hé, Lo, gaat dat wel goed?’ riep Myra terwijl ze haar sigaret in de fontein gooide. ‘Zal ik een taxi laten komen?’
  Lodderig keek hij opzij. ‘Nee hoor, gaat best, as’t-maar-geen-haiku-wordt.’
 ‘Weet je het zeker, Lo?’ 
 ‘Bis en baarachtig, Mwier,’ kwam er vlak voor een nieuwe golf uit. Hij zakte op een knie, greep zich vast aan de onderkant van de prullenbak, slingerde zijn besmeurde manen achterover en liet twee langgerekte, lurkende boeren horen, waarbij een grauwe brij uit zijn mondhoeken over zijn kin droop en een sjerp vormde op zijn zwarte schapenvel. 
  ‘Weet je het echt zeker, Lo?’ hield Myra aan.
  ‘Lamaar, lamaar,’ wist de dichter nog uit te stoten. ‘De kotsibus non est disputandum!
  ‘Oké, zelf weten, Lo. We bellen!’
  Met een laatste restje mededogen wees ik naar de taxistandplaats. ‘Moeten we misschien toch niet…’
  ‘Nee man, is geen kruid tegen gewassen. En bij nader inzien: welke chauffeur wil hem hebben? Hij is daar ook nog wel even bezig met wat-ie vanavond allemaal… Maar kom op, we gaan naar binnen. Veel te koud hierbuiten, brr.’
  Er kwam inderdaad een snijdende vleug uit het gebruis in het bassin. Myra dook weg in haar kraag en voerde me aan mijn elleboog mee naar de ingang van het hotel.

(PG)