Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 1 Guest.

De wereld als leugen

Omslagontwerp – en foto! – Ruurd de Boer

Niet stilgezeten sinds de publicatie vorig jaar van mijn verhalenbundel Zondagavondbuurt maar hard gewerkt aan een nieuwe roman, getiteld De wereld als leugen, die komende herfst bij uitgeverij Passage het licht zal zien.
Het boek kent verschillende lagen.

Allereerst is het de geschiedenis van Milan Hartwich, een niet al te succesvolle schrijver-journalist, die per ongeluk met Nederlands populairste talkshowpresentatrice Myra Melchior een romance op en na het boekenbal beleeft. Omdat zij daarna iets heeft uit te leggen aan de roddelpers besluit ze hem maar tot haar biograaf te bombarderen. Volgt een spel van aanhalen en afstoten en uiteindelijk een wonderlijke biografie die Myra’s woede wekt en Milan zelfs op niet mis te verstane bedreigingen komt te staan. Hij beseft dat er in zijn geval geen scheidslijn meer loopt tussen bovenwereld en onderwereld en dat hij een passend antwoord moet zien te vinden op zijn netelige situatie.
Daarnaast is deze roman een satire op het opportunisme van redacties van kranten en talkshows en op de vervlakking en verplatting van de letteren als gevolg van mediabemoeienis. Met name schrijver Tijl Kramer, collega-columnist en kroegmakker van Milan, stelt deze verschijnselen vlijmscherp aan de kaak. Tijl is een soort grote broer, een mentor, die Milan geregeld aan het denken zet en hem ook probeert te behoeden voor het wespennest waarin Milan zich heeft gestoken door zich met iemand als Myra Melchior in te laten.
Een derde laag bestaat uit een sprookje dat, zoals wel vaker onder mijn pen gebeurt, een geheimzinnig eigen leven gaat leiden…

Het nu volgende fragment beschrijft de niet al te briljante woonomstandigheden van Milan Hartwich:

Groot en ruim had ik voor mijn verhuizing ook niet gewoond. Een gemeubileerde kamer in Amsterdam-Zuid op de vijfde verdieping van een huizenblok aan de Rooseveltlaan. Ik zat daar goed aan die langs een liniaal getrokken avenue, vol tram- en ander verkeer, geflankeerd door populieren, maar ik had een huurachterstand van twee maanden en kon elk moment met geweld op straat worden gezet.
Dus vulde ik die ochtend in juni een schoudertas en een rolkoffer met kleren en boeken, keek nog even om me heen of ik niets had vergeten en liet de deur achter me dichtvallen. Aanvankelijk verkeerde ik in een vakantiestemming. Een stralende dag. In de Maasstraat rook het naar versgebakken brood. De stad zou de hitte lang vasthouden. Vond ik zo gauw geen onderdak, dan kon ik vannacht best onder een struik op het Merwedeplein slapen of in het Beatrixpark.
Maar in plaats daarvan stapte ik bij station RAI in een streekbus naar Polderveld.  Daar woonde Harmen, een oud-studiegenoot van de School voor Journalistiek. Ik had hem gebeld en mijn probleem uitgelegd. Ik moest maar naar hem toe komen. Hij zou me wel helpen bij het zoeken naar een woning.
De volgende morgen reden we in zijn auto door de omgeving en bezochten een paar huurwoningen. De meeste daarvan waren te ver van de bewoonde wereld of te duur, maar net aan de rand van het dorp wist mijn vriend een paar pandjes waarvan er een vrij was. Hij kende de eigenaar die het ongetwijfeld voor een krats zou verhuren, zo zei hij losjes trommelend op het stuur. Het zou wel tijdelijk zijn want het stond op de nominatie om te worden gesloopt, wat ik bij de eerste aanblik vast wel zou begrijpen.
De eigenaar, een man met een wijnvlek in zijn hals, zat hikkend in gezelschap van een paar jongens in overalls te pokeren bij een pompstation en trok nadat ik aan hem was voorgesteld meteen een sleutel van een bos. Ik bood aan een borgsom te betalen (al wist ik niet waarvan), maar dat wapperde hij weg, iets mompelend over de vrienden van mijn vriend die zijn vrienden waren. Hij vertelde nog over een loods op het achtererf. Die verhuurde hij aan een paar bollenkwekers. Kwamen meestal ’s nachts. Moest ik me maar niets van aantrekken.
We reden het dorp weer uit en zagen het rijtje na honderd meter liggen. Vijf arbeidershuisjes waarvan de eerste twee verkoolde staketsels waren. Het gerucht ging dat er op een dag brand was gesticht door een projectontwikkelaar die er bij nadere beschouwing geen brood in had gezien. De weg erlangs verdween in het niets. Een paar honderd meter voor dat niets lag nog een T-kruising. Daar kon je linksaf naar Schiphol.
Harmen lichtte zijn hand van het stuur en wees naar de huisjes.  ‘Nou, heb ik iets te veel gezegd? Is het geen plaatje? Je zit hier echt aan de Costa Esmeralda…’
Tja, de geteisterde geraamtes waren overwoekerd door struikgewas. Het derde huisje was ingestort; er groeide een berk in. Alleen het vierde pand werd bewoond. Het vijfde zou mijn onderkomen worden. Harmen parkeerde de auto in de berm aan de overkant langs een sloot vol plastic, bierblikjes, condooms en injectienaalden. Ja, er gebeurde hier veel op het platteland – dat zou ik nog wel merken…
Door een voortuintje met een houten zitbank omgeven door vuilnis en onkruid liepen we naar de deur die wat klemde maar niet op slot zat. Grote, rotte plekken in het hout. We betraden een woonkamer met kokosmatten waarvan de randen omkrulden. Er stond een autobank naast de deur. Daarboven een raam met uitzicht op de rietpluimen in de sloot en een zwarte vlakte tot waar het oog reikte.
Hoeveel uitzicht kan een uitzichtloos bestaan nog bieden, zei ik bij mezelf nadat Harmen me er met mijn schoudertas en rolkoffer had achtergelaten en me veel sterkte had gewenst.
Dat had ik ook wel nodig. De enige luxe bestond uit de tv, het bakbeest met het gifgroene scherm. Middenin de ruimte stond een strijkplank met een kruk ervoor. Tegen de achterwand een gebarsten aanrecht. Een tweepits gasstel en een geiser. Daarboven zag het achterraam uit op lege kippen- of konijnenhokken en een schuur. O ja, dat bloembollenwerk ‘s nachts…
Naast de keuken een gang met een toilet zonder deur en zonder bril en een douchecabine waar paddenstoelen in de naden groeiden. Een ladder leidde van de kamer naar een vliering. Daar vond ik een tweepersoonsmatras met een paardendeken en een hoofdkussen gewikkeld in een Perzisch kleedje.
De eerste nacht was rommelig. Mijn matras rook muf. En er hing een lucht van stof en hout. Door het dakraam viel licht naar binnen. Koplampen van auto’s kropen langs de balken en doken in de vloer. De maan kwam op en legde een blauwe ruit over het zeil. Wie denkt dat het platteland ’s nachts altijd aardedonker is, vergist zich, en stil is het er ook niet per se, want toen ik bijna sliep, trok het gekrijs van katten de nacht aan flarden.
Dus stond ik na een paar uur draaien maar op, krabde de paddenstoelen in de douchecabine weg en liet het water over me heen stromen terwijl de geiser boven de gootsteen verontrustende plofjes liet horen. Ik had wat tv kunnen kijken maar dacht op dat moment nog dat het ding het niet deed.
Terug op mijn matras volgde ik opnieuw de lichten van het verkeer over het gebinte en de binnenkant van het dak, totdat alles om me heen zo vredig en zo donker was als het hier hoorde te zijn. Van Schiphol merkte je nauwelijks iets. Zolang de wind niet deze kant uit kwam, had Harmen uitgelegd, dreef alle lawaai naar Amsterdam.
Ik overdacht de afgelopen jaren, al mijn verhuizingen en adressen. Daarbij doorstroomde me een gevoel dat ik als jongen vaak had gehad als ik weer eens van pleeggezin was veranderd en in een vreemd bed geleidelijk wegdroomde: een sensatie van alle kanten op kunnen, de toekomst aan mijn voeten.
Dat was nu ook weer zo. Een boot bracht me naar een tropisch eiland. Terrassen aan een lagune. Palmbomen. Zonsondergangen. Een alles verzengende romance. Ja, een eenzame ziel leidt vele levens. Ik sliep al.

Wanneer ik in de dagen daarna, mijn bestaan vervloekend, met de bus uit Amsterdam terugkwam, leek het rijtje vanuit de verte op een reusachtig kadaver, door hyena’s aangevreten. Bij regen een scheepswrak weggezonken in de horizon. In de voorste ruïnes speelden de kinderen uit het dorp vaak cowboytje en Indiaantje.
Verder was het een boulevard of broken dreams met slechts twee bewoners. Ikzelf en naast mij een man met een vaalbleek gezicht, omkranst door een Raspoetin-achtige baard en haar dat alle kanten op vloog. Op de ochtend van onze kennismaking droeg hij ondanks de hitte een regenjas over zijn kleren waar een geur van verwaarlozing van afsloeg, bijna een lijklucht.
Hij wilde niet binnenkomen, maar bleef voor de deur staan en vertelde hoe hij het wilde hebben: geen paardenbloempluis van mij bij hem in zijn voortuintje en geen hondendrollen. Dat laatste kon ik hem meteen garanderen, want er was geen hond in mijn leven. Zijn tuintje was overigens, net als dat van mij, naast alle rotzooi een voortzetting van de weegbree en de brandnetels uit de bouwvallen ernaast. Paardenbloemen hadden er juist een vrolijke noot in kunnen aanbrengen.
Hij had een klagerige manier van praten. Iedereen dacht altijd maar eerst aan zichzelf en niet aan een ander en hield ‘nooit niet’ – of ‘nooit geen’ – rekening met hem. Uit zijn ongevraagde levensverhaal bleek dat hij als ‘worstontwerper’ had gewerkt voor een supermarktketen.
‘Wil je toch niet even binnenkomen?’
‘Nee, daar gaat het niet om, daar gaat het niet om. Kan hier ook, kan hier ook.’
‘Wat je wilt. Lijkt me trouwens een interessant beroep: worstontwerper.’
‘Interessant? Interessant? Daar gaat het niet om, daar gaat het niet om, hoor, als ze je niet mogen en je eruit werken.’
‘Maar wat deed je precies? Zat je aan een tekentafel of ontwierp je worsten op de computer?’
‘Tekentafel, maar daar gaat het niet om, daar gaat het niet om, als ze jaloers zijn en alles van je afpakken.’
Hij beloofde me niettemin een keer tekeningen te laten zien van de door hem ontworpen Berliner die al jaren met succes verkocht werd. Zonder overgang vertelde hij ten slotte dat hij kippen had gehouden die door vossen waren geroofd en dat in de schuur achter mijn huis een wietplantage zat. Had hij over gebeld. Politie deed niets. Hij waarschuwde me maar even. Goed bedoelde waarschuwing. Bij wijze van afscheid draaide hij me met een ruk en een grom de rug toe en verdween in zijn eigen woninkje.
Het leek me het beste deze man zoveel mogelijk te mijden. Ongevaarlijke gekken bestaan niet.