Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 4 Guests.

Recensies

In TZUM, april 2016

Klassieke verzen – door Remco Ekkers

Het gebeurt niet zo vaak meer dat er een bundel met klassieke verzen verschijnt. Café Egidius van Paul Gellings verscheen onlangs bij uitgeverij Passage en maakt deel uit van De doos van Passage.

Een intrigerend gedicht is ‘Spoken van Rembrandt’:

nachtwacht

gelukkig kent onze kapitein de route blind…

Glans en daglicht langzaamaan geoxideerd
tot avond met een ander, dieper perspectief
in de alkoven thuis had men elkander lief
en bij de hoeren werd het vlees geëerd

in gezelschap van het vroeg gestorven kind
in ons ontwaken wij nog steeds om twaalf uur
nu er op uit! het feest is slechts van korte duur!
gelukkig kent onze kapitein de route blind

men hoort de lansen op de Kloveniersburgwal
men ziet de vlammen op de toortsen trillen
en kijk, daar is de Dam, het Damrak al

dan verstrakken wij weer wanneer in de prille
zon de vensters hier opeens gaan zinderen
en wij alleen nog leven in het oog van kinderen

Dit is een sonnet met een 5-voetige jambe, omarmend rijm in de twee kwatrijnen en efe fgg als rijmschema in de terzetten. Nergens vinden we rijmdwang. Regel 2 laat een 6-voet horen. De dichter had ‘ander’ kunnen schrappen, maar hij heeft er voor gekozen het andersoortige perspectief te benadrukken.

Een interessant enjambement vinden we in regel vijf. Wie is dat kind? Is het de marketentster, het meisje in het licht met de kip aan haar gordel? Is zij vroeg gestorven of gaat het om het kind dat wij allen eens waren. Er staat ‘in ons’. Wij beleven het spookuur zoals we dat als kind konden beleven. Zie ook de laatste regel.

Het gezelschap van Banning Cocq komt tot leven om twaalf uur ’s nachts. De eerste regel roept kleur en licht van de Nachtwacht op. In de nacht heeft men lief in de bedsteden of smaakt men het vlees bij de hoeren.

Het gezelschap trekt er kort op uit, want moet op tijd weer terug zijn op het doek. De lansen zijn zo levensecht geschilderd dat je ze kunt horen en je ziet de toortsen trillen, maar hier is het natuurlijk ook zo, dat in de verbeelding, het gezelschap reëel waarneembaar is.

Het titelgedicht heeft betrekking op de vriendschappen die werden gevierd in allerlei lokaliteiten. Er wordt getreurd om gestorven vrienden. De lezer herkent regels uit het middeleeuwse Egidiuslied. Waar zijn de vrienden gebleven, hun gesprekken in aangename nevel van rook en alcohol? In eerdere bundels van deze dichter vonden we ook veel aandacht voor vriendschap. Hier vinden we een gedicht opgedragen aan een vriend, Joost Zwagerman, die toen nog leefde.

Gellings vertelt op zijn website hoe zij elkaar schreven:

Vrijwel gelijktijdig, zo in de loop van 2011, vielen Joost Zwagerman en ik ten prooi aan een verregaande neerslachtigheid. We wisten het alleen niet van elkaar. Het kwam over en weer pas aan het licht in een uitgebreide mailwisseling, ongeveer een jaar later.

Paul Gellings krabbelde overeind en de eerste keer dat hij dat goed besefte was toen hij alleen verbleef in een hotel. Het sprak Zwagerman aan en hij herkende ook de sensatie:

IN EEN HERFSTIG HOTEL

In een herfstig hotel ben ik mijn ziel
op het spoor gekomen
een gestorven blad onder mijn bed
in een kamer aan een marktpleintje
zonder bomen

en zonder markt – achteraffer kon het niet
toch verdwenen
juist hier de scheuren
in mijn voering
verdampte het verdriet

nooit geweten dat het er zo uitzag
wat ik hier zou vinden
een blaadje van een verre boomtak
losgeraakt tussen
twee oktobervlagen

zomaar dus onder mijn bed
het beeld gezien
van wat men ziel noemt
het kwam van nergens
en ging nergens heen

om de wereld door te geven
haar boeken en haar bouwsels
ons onbegrijpelijke leven
in een herfstig hotel waar
ik maar één nacht ben gebleven

Ook hier geen punten aan het eind van een regel. Wel strofen, van vijf regels van ongelijke lengte, spaarzaam rijm.

We zien dat het blad van ver moet gekomen zijn, want het marktpleintje heeft geen bomen. Mooi hoe dat gestorven blad, antithetisch, symbool wordt van hernieuwde levenslust.

In een tweede afdeling staan vertalingen uit het Engels, Frans en Duits. Het wekt geen verwondering dat we hier Rimbaud, Baudelaire en Verlaine aantreffen en we zien hoe zorgvuldig Gellings de gedichten heeft vertaald met eindrijm, waarbij hij knappe vondsten deed.

Paul Gellings – Café Egidius, Passage, Groningen. € 19.90.

 

In MEANDER POËZIE, mei 2016

tijd

Verloren tijd…

Op zoek naar de verloren tijd

door Johan Reijmerink

Paul Gellings
Café Egidius
Uitgever: Passage
2016
ISBN 9789054523055
€ 19,90
66 blz.

Paul Gellings nodigt ons in zijn nieuwste bundel Café Egidius uit stil te staan bij wat hij in het verleden achter zich heeft gelaten. In de titel van zijn bundel verwijst hij naar het bekendste middeleeuwse lied uit onze literatuurgeschiedenis, ‘Egidius waer bestu bleven’. Daarin beschrijft de dichter zijn verdriet over de dood van zijn vriend en betreurt hij zijn eigen lot. Dit verlies heeft Gellings ertoe gebracht in deze nieuwe bundel op zoek te gaan naar zijn verloren tijd.

Te midden van een grote verscheidenheid aan dichters en aan opvattingen over poëzie in onze tijd ziet Gellings zich graag getypeerd als een romanticus. In zijn bundel laat zich dat aflezen aan vorm en inhoud van zijn gedichten. Hij is traditioneel in zijn vormgeving en werkt dikwijls in drie- of vierregelige strofen. Zo nu en dan duikt de sonnetvorm op en past hij rijmschema’s in zijn verzen toe. Daarin is hij niet altijd even consequent. Opvallend is verder dat hij nauwelijks gebruik wenst te maken van leestekens. Dat laatste refereert aan een inzicht dat wijst op een vertrouwen in de autonome werking van de taal en in de rol van de lezer. Het ontbreken van leestekens zet de lezer ertoe aan de gedichten zelf telkens weer op zijn tijd en wijze te volbrengen. Toch blijkt voor Gellings de behoefte aan vormvastheid een voorwaarde te zijn om greep te krijgen en te houden op wat zich in zijn verbeelding afspeelt. Inhoudelijk is voor veel van zijn gedichten een eerste aanleiding afkomstig uit de werkelijkheid die buiten zijn verbeeldingswereld ligt. Zijn gedichten zijn verhalend van karakter en openen nogal eens met een Natureingang. Het waarnemend ik reikt naar wat er in de werkelijkheid is geweest, en voert ons terug naar een verborgen (droom)wereld waarin het allemaal begon, naar een wereld die misschien toch nog niet helemaal verdwenen is. Hij is bedacht op ‘goudomrande momenten’ waarin de tijd lijkt stil te staan.

De eerste afdeling van deze bundel ‘Nieuwe beelden’ bestaat grotendeels uit gelegenheidsgedichten. Ze bestrijken uiteenlopende onderwerpen: van een gedicht over het beeld van Anne Frank tot de Romeinse stad Nîmes, en van een gedicht over het overlijden van een vriend tot de stad Efeze. Persoonlijke verbintenissen en actuele ervaringen liggen eraan ten grondslag.
Vanwege dit sterke gelegenheidskarakter zouden we bij eerste lezing de indruk kunnen krijgen dat deze bundel een reeks toevallig bij elkaar gebrachte gedichten bevat die onderling nauwelijks enige samenhang vertonen. Bij nader inzien zijn ze thematisch wel degelijk in overeenstemming met elkaar. In tal van gedichten blijkt de ik ‘op zoek te zijn naar samenhang’ en naar ‘waar altijd iets als een ander leven/ in verborgen kamers lijkt te wachten//’. Noties als jaren die verdwenen in de mist, het heroveren van wat verdwenen is, het achterhalen van een vermoeden, het goed aankomen in het verleden en het op zoek gaan naar waar alles ooit begon, het verlangen naar een verloren gewaande wereld en het gemis ervan geven aan deze gedichten inhoudelijk een sterke en actuele samenhang. Dat maakt dat deze poëzie doortrokken is van een heimwee naar wat er ooit was en/of er niet gekomen is, en er ook niet meer zal zijn, en daarom voor altijd onbereikbaar zal blijven. Zoals ‘een andere lichtval/ […] tot een ander moment [leidt]//’, zo laat wat er achter ons ligt zich niet op een eendere wijze achterhalen. Zo blijft de oorsprong van onze ervaringen, gewaarwordingen en gevoelens voor ons in raadselen gehuld. In die zin is de poëzie van Gellings onmiskenbaar aangeraakt door de poëzie uit de negentiende-eeuwse Romantiek. Die poëzie kenmerkt zich door een individueel metafysisch en historisch besef, doortrokken van een verbeeldingskracht die ruimte biedt aan een hang naar melancholie en nostalgie, soms ook nog aangevuld met een lichte neiging tot opstandigheid tegenover de tijdgeest waarin het jachtige hier en nu domineert. In het gedicht ‘Efeze’ brengt de ik dat romantisch besef onder woorden:

…………: zijn jullie goed
aangekomen in het verleden

ben zelf ook alweer onderweg
naar waar ik vandaan kwam

Het is tegen deze achtergrond dan ook niet verwonderlijk dat Gellings in deze bundel als tweede afdeling een reeks vertalingen van klassieke romantici en symbolisten uit de Angelsaksische, Franse en Duitse literatuur heeft opgenomen, merendeels uit de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Zij dragen in hun poëzie eenzelfde verlangen naar een verloren tijd uit.
De gedichten van Gellings laten een aantal kernnoties zien die het romantisch patin van deze dichter aantonen. Er spelen zich in deze gedichten heel wat droomervaringen af in het hoofd van het waarnemend ik. Het ‘zien van beelden’, het ‘verlangen naar eerder ervaren beelden’, het ‘dromen over het leven dat nog moet beginnen’, ‘het herinneren van wat geweest is’, het ‘laten wiegen in de droom’, het ‘verlangen terug te keren naar Eden, naar zijn geboorte’, ‘het dromen van wat je er nooit eerder zag’, en vooral ‘het beleven wat je ooit is beloofd’ zijn noties die gestalte geven aan de verloren tijd en het ‘onbeschrijflijk ver paradijs’. Dat alles komt onder herfstige omstandigheden in beeld als vertrekpunt voor zijn innerlijke observaties. Verbeelding en werkelijkheid strijden niet alleen om de voorrang, maar vullen elkaar ook dikwijls noodzakelijkerwijs aan. Er is ook een intens verlangen om de tijd te ontvluchten. Daarbij past het besef van de ik dat er veel buiten hem om voorbijgaat. Op al die momenten dat de droom de werkelijkheid doorschiet, is er tevens het besef van het onbegrijpelijke leven en tegelijkertijd de wens het te doorgronden. Dit alles weerhoudt hem er niet van deze paradoxale ervaring door te geven aan de wereld.
In het gedicht ‘Septembernacht’ komen veel aspecten van deze melancholieke poëzie samen:

De tuin vereenzaamt langzaam in de avond
de zomerstoelen vallen stil
in het schijnsel van de buitenlamp
op het terras vervloeien onze silhouetten

dwars door je spiegelbeeld in het achterraam
staar je in die donkergroene kamer buiten
waar plotseling gordijnen openzwaaien
en een vallei zich plooit tot aan de kim

hellingen als biezen matten, oogst van
liefdesavonturen, dikke boeken waarin
de tijd wordt omgedraaid of afgeschaft

dan verft maanlicht alles blauw als krijt
degenen die wij waren zijn vertrokken
degenen die wij waren zijn wij kwijt

De atmosfeer van de herfst is favoriet in deze bundel. De duisternis valt in dit gedicht over de tuin en het terras. De spiegeling van de ‘je’ in de ruit roept een parallelle verbeeldingswereld in de waarnemende ik op. In het spiegelbeeld is tevens zichtbaar het decor van ‘die donkergroene kamer buiten’, waarin de ‘wij’ de figuranten zijn. De openzwaaiende gordijnen verruimen het perspectief op een verloren tijd: ‘degenen die wij waren zijn vertrokken/ degenen die wij waren zijn wij kwijt//’. Hoe melancholiek wil je het nog hebben in deze tijd!? Gellings heeft met Café Egidius een melancholieke, beeldrijke en doordachte bundel gecomponeerd.

***

Paul Gellings (1953) publiceert met Café Egidius (2016) zijn vijfde poëziebundel. Naast dichter is Gellings ook vertaler van Engelse, Franse en Duitse literatuur. Hij is in 1999 gepromoveerd op een studie over de Franse romanschrijver Patrick Modiano. Daarnaast geeft hij poëzie- en schrijfcursussen voor kinderen en volwassenen. In het dagelijkse leven is hij docent Franse taal- en letterkunde.


oscar

Oscar Wilde, van wie Gellings het gedicht ‘Impression du matin’ vertaalde en opnam in Café Egidius.

In BOEKENSALON, 15 juni 2016

Café Egidius

Poëzie ontstaat uit aandacht en verwondering en opent voor de ziel een venster op een andere werkelijkheid. Dit geldt ook voor deze klassiek vormgegeven gedichten van Paul Gellings. Een voorbeeld hiervan is ‘Terugkeer’ over het bronzen beeld van Anne Frank op het Amsterdamse Merwedeplein, dat doet dromen van ‘een wereld waarin de mensheid/haar ziel nooit meer verkocht’. Zo ook het sonnet over de Openbare Bibliotheek in Zwolle: ‘deze magische burcht, deze stad/opgetrokken uit gedachten en taal’. Mooi is ook het titelgedicht met zijn verwijzingen naar het middeleeuwse lied van Egidius. Andere gedichten zijn geschreven voor of opgedragen aan mensen als Willem Wilmink en Rudi van den Hoofdakker, maar alle zijn pareltjes van verbeeldings-en zeggingskracht. Een juweeltje is eveneens de afdeling ‘Oude Meesters’, vertalingen van grote Europese dichters als Oscar Wilde, Baudelaire, Rilke en Von Hofmannsthal, waarbij ook de oorspronkelijke tekst is afgedrukt. Deze rijke bundel, de vijfde van Gellings, zal de poëzieliefhebber menig mooi moment geven.