Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 1 Guest.

Drie terugblikken

door IWI

ziekenhuisIn de witte molen.

Out of the blue een niet af te schudden metgezel: borstkanker. Ik schrik niet eens zo erg, want  de percentages zijn me bekend en waarom ik niet tenslotte?

Dood of leven is niet m’n speerpunt, dood ga je toch. Het ziekenhuis vormt het onvermijdelijke schrikbeeld. Ik heb er als verpleegkundige teveel gezien en mee gemaakt om vertrouwen te kunnen genereren. Overgave is hoe dan ook een onbekend begrip voor me, maar ik zal me toch noodgedwongen tot op zekere hoogte moeten uitleveren.

  • “U neemt deel aan een traject op de mamma (=borst) poli, voert diverse gesprekken en ondergaat meerdere onderzoeken. ’s Middags krijgt u al de uitslag van de bevindingen en weet u meteen of de kanker goed- of kwaadaardig is en wat de opties zijn”.

:   Als enige van alle vrouwen val ik buiten de boot; word zonder verklaring uren wachtend gehouden en krijg vervolgens te horen dat er geen gelegenheid meer is voor de borstpunctie. Die middag ben ik als eerste geboekt en aanwezig voor de uitslag, maar moet heel wat huilende vrouwen in de wachtkamer zien terugkeren, voordat ik aan de beurt ben. “Wat komt u hier doen, we hebben u niets te melden, er is immers geen punctie gedaan”.

De punctie kan pas dagen later, op de uitslag moet ik een volle week langer wachten dan beloofd: foute boel in alle opzichten.

  • “Waar hebt u alle ingevulde formulieren die u mee naar huis kreeg?”

awiFORMULIEREN?  “Die moet u gekregen hebben”, (ja, ìk ben gek..). Minachting, hoon en een diep zuchten zijn mijn deel wanneer de formulieren me alsnog toe geslingerd worden met het bevel wat haast te maken.

  • “Er wordt getracht een relatie op te bouwen tussen patiënt en 1 arts, hoewel dit niet altijd zal lukken”.
    :   Nee, inderdaad, noch bij de poli chirurgie, noch bij interne tref ik 2 keer
    dezelfde arts. Alle ‘slecht- nieuws- gesprekken’ komen uit onbewogen en
    onbekende koppen, waarbij hooguit beleefd gewacht wordt of ik nog in tranen uit
    zou willen barsten (maar ik voel alleen maar woede & onmacht).
  • Dan de eerste chemo, waarvan ik al het vermoeden heb dat het niet door zal gaan i.v.m. een borstontsteking: Nadat de vampiers hebben toegeslagen, twee uur doelloos wachten op de arts. “Gunst zit u hier nog steeds? Nee, die chemo kunnen we zo niet starten”. Binnen luttele minuten weer buiten.
    (De borstontsteking zit er nu nog steeds, de tweede chemo is achter de rug…)
  • Tweede chemo: “Gunst, zit u hier nog steeds? (na een uur). Sorry, vergeten U aan te melden, kan gebeuren hè?” De zoveelste keer dat ik als eerste binnen en als laatste buiten sta.

Dit is slechts een willekeurig greepje uit een breed scala aan missers.
Tot tien tellen valt me pittig zwaar en dat de ander een hand in eigen witgejaste boezem zal steken, kan ik schudden.

 

Nachtzuster

nachtzusterToen ik tijdens de swingende jaren zestig met de verpleegstersopleiding begon, was het nog verplicht om de eerste drie jaar intern te wonen. Dergelijke zusterhuizen werden alom in het land ‘hunkerbunkers’ genoemd, en je moest van goeie huize komen wilde je als man zo’n bolwerk kunnen betreden; dan moest er minstens een gedegen familieband aangetoond kunnen worden (‘broeders’ waren er nog nauwelijks en zo ja, zelden hetero). Wij stonden als 18-jarigen te trappelen om aan het alziend oog van thuis te ontsnappen en ons leven naar eigen wens en willekeur te kneden.

Die allereerste dag stonden we met tientallen bepakt en bezakt in de grote hal.

Ik kende geen mens, maar dwars over alle hoofden heen zag ik een blond meisje van mijn lengte, dat veelbetekenende gekke bekken trok. We kregen spontaan de slappe lach en zijn tot op de dag van vandaag nog onverminderd hartsvriendinnen.

Gedurende de vooropleiding werden we in groepjes van vier op een kamer geplaatst (stapelbedden!), om na een periode van drie maanden theorie, mee te gaan draaien in de dienstroosters van de afdelingen, inclusief veelvuldige avond- en nachtdiensten. Op grond hiervan kregen we vanaf dat moment allemaal een eigen kamer, nou kamer, een pijpelaatje van twee bij drie. Op iedere gang gemeenschappelijk sanitair, op de kamer alleen een wastafel en bed. Het regime dicteerde ons onze gedragingen. ’s Avonds uiterlijk om 23 uur binnen, geen lawaai, geen apparaten, naam in uniform naaien voor bewassing, koffie en thee in de ‘conversatiezaal’, maaltijden in de eetzaal enz. We kregen al snel het gevoel tot een kloosterorde te zijn toegetreden in plaats van de vrijheid tegemoet.

In de ‘conver’ zwaaide een moederlijke figuur de scepter en mochten we niet eens zelf onze koffie inschenken, niet met onze sloffen op de bank, laat staan te luid praten of lachen.

Daar waren we dan ook vrijwel nooit te vinden, want vanaf ons eerste loonstrookje bedropen we ons zoveel mogelijk zelf:  drankjes, rokerij, hippe kleren, LP’s. We ontdekten  bioscopen, kroegen, muziek, beatkelders en uiteraard spannende jongens. We waren onvermoeibaar en het leven werd het feest dat we hadden gehoopt.

De muren op onze kamer zaten tot in de uithoeken volgeplakt met idolen en we gooiden de kont onbezorgd tegen de krib. Om ’s nachts nog even te kunnen pitten,  haalden we halsbrekende toeren uit op hekken, regenpijpen en daken om naar binnen te kunnen klimmen. Ook in de hunkerbunker werd wacht gelopen, zodat er altijd gevaar voor ontdekking bestond. Wanneer een wel heel oplettende wacht de door ons zo onzichtbaar mogelijk geopende ramen ontdekte en vervolgens sloot, hadden we pech en moesten we andere creatieve oplossingen zoeken, waarbij het grootste probleem het tijdig wakker worden zonder wekker was.

Het duurde niet lang of we hadden een dermate verzameling adressen (waaronder ‘the house of the rising sun’), dat we niet eens meer de moeite namen om het dak op te gaan, maar standaard een toilettas in onze Indiatassen propten.

Natuurlijk liepen we tenslotte tegen de lamp, werden bij de directie ontboden en kregen te horen dat onze ouders ook al op de hoogte waren gebracht. Zelden heb ik meer van mijn vader gehouden dan toen hij spoorslags vanuit Brabant kwam aangestormd en de directie buitenspel hoonde: “..dus uw goedkope koelies mogen geheel zelfstandig nachten achtereen ongediplomeerd waken over minstens dertig al dan niet net geopereerde of psychisch zwaar gestoorde patiënten, maar niet zelf hun kopje koffie inschenken?

Het is vanzelfsprekend dat ze urenlang gratis overwerken qua ‘roeping’, maar te laat binnen na een stapavondje is onvergeeflijk? Jongens van achttien mogen de oorlog in, maar dito meisjes moeten tegen zichzelf beschermd worden?”, enzovoorts. Zoete triomf en een vrijbrief voor mijn vriendin en mij om sneller dan gebruikelijk ‘echt op kamers’ te gaan!

In dit geval was de vader de vertolker van de gedachte en heeft mijn eeuwige dank.

 

Vooruitzien

Tjebbe

Tsjêbbe…

“Hoeveel zie jij dan eigenlijk nog?”

 “Je moet je voorstellen dat je ’s avonds laat in een regenachtige stad loopt en door een zwarte paraplu naar een lichtpunt kijkt, dat is het zo ongeveer.”

Jarenlang sprak ik boeken en kranten op band in bij de blindenbibliotheek, waar Tsjêbbe de geluidstechnicus was. Het was begin ’70, ik woonde net in Groningen en hij was de eerste Fries die ik ontmoette. Door een erfelijke oogaandoening was hij zo goed als blind aan het worden, hoewel dat aan zijn heldere blauwe ogen absoluut niet af te zien viel. Wel aan de veelvuldige blauwe plekken die hij geregeld opliep door stug zijn handen in zijn zakken te houden, waarbij iedere scheve stoeptegel, vuilniszak of wat dan ook, een struikelblok vormde. Op het Friese platteland fietste hij nog steeds naar het café – op het gevoel en de bochten tellend – waarbij hij op de weg terug in heel wat sloten  reed. Fanatiek schaatser, de houtjes direct onder de sokken gebonden, mooie, lange slagen, de armen op de rug en God zegen de greep. Een opvallende gestalte, rijzig, met lang haar en een woeste baard, altijd een pet op, vaak op klompen.

Ondanks een overdosis aan drama in zijn leven, viel er ontzettend met hem te lachen.

Omdat we in elkaars buurt woonden, trokken we veel samen op en ontwikkelde ik al snel een systeem hem te attenderen op allerlei dat buiten zijn blikveld viel. Ook begon ik bepaalde boeken thuis voor hem in te spreken op een krakkemikkig bandrecordertje. Zo banjerden we veel vrolijke jaren door het leven en de stad, tot plots het bericht kwam dat Tsjêbbe een poos intern in een blindeninstituut zou moeten gaan wonen, waar hij kon leren zich ‘aangepaster’ te gedragen/soigneren. Weigerde hij deze ‘revalidatie’, dan kon hij zijn baan als technicus verder schudden. Hij voelde hier inderdaad absoluut niets voor en zag het als een motie van wantrouwen.

Met het nodige viswerk kwam ik erachter dat twee professorenechtgenotes uit Haren, die ook ‘charitatief’ boeken inspraken, zich beklaagd hadden over Tsjêbbe’s ‘onaangepaste’ uiterlijk. Daarop was mijn maat vol, zo niet overlopend. In een brief aan alle veertig vrijwilligers, heb ik de situatie uit de doeken gedaan en gevraagd of iedereen zoveel mogelijk zou willen protesteren tegen deze gang van zaken. Dertig van de veertig deden dat in gloedvolle brieven, waarin terecht Tsjêbbe’s onovertroffen kwaliteiten bezongen werden.  De hele zwik opgestuurd naar het hoofdbestuur in den Haag, dat vervolgens reageerde met nog kwalijker argumenten, verdachtmakingen en zelfs een paar aperte leugens. Omdat ik iemand bij de Volkskrant kende, konden we het hele relaas paginagroot in de openbaarheid brengen (nog allemaal in mijn bezit, voor wie het interesseert of niet gelooft) en kijk aan: ineens regende het excuses van het bestuur en mocht Tsjêbbe probleemloos door blijven werken.

Wij hadden echter onderling al bedisseld om in dat geval allebei de blindenbieb de rug toe te keren, want hij wilde Fries en Nederlands gaan studeren, waarbij ik op mijn beurt zoveel mogelijk zijn studieboeken in zou spreken. Na niet eens zo heel lange tijd studeerde hij met glans af en nu viert hij al jaren triomfen als Friestalig dichter.

Zijn wijze van voordragen is overdonderend en onvergetelijk. Pieter Verhoeff maakte een geweldige documentaire over hem en inmiddels heeft hij een gezin met 2 kinderen, reist veel, is zeezeiler en speelt sax in een 7-mans jazzband.

Belangrijkste wellicht: hij ziet er nog onverminderd onaangepast uit.

Regeren is vooruitzien..

Ik wens iedereen een ruime blik en open vizier voor de toekomst.

 

PS Het derde verhaal schreef IWI in 2008; inmiddels is Tsjêbbe Hettinga ons jammer genoeg ontvallen.