Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 2 Guests.

Surfplank blues

 

Reinier van Arnhem

Om de veertien dagen staat er van mijn vriend Wolfaart Jolles en collega-pennevoerder Reinier van Arnhem een column in de Meppeler Courant, ter afsluiting waarvan hij zijn beroep steevast aanpast aan het onderwerp. Een scherpe pen en een niet minder scherpe blik gaan er vaak hand in hand in, evenals poëzie en humor. Ziehier een zeer lezenswaardig exemplaar, gepubliceerd op 5 juli 2017, dat mijzelf inspireerde tot een gedicht. (PG)

 

SURFPLANK BLUES

Ik woon in een groene wijk. Grasvelden, met in het voorjaar honderden krokussen en narcissen, kleine bosjes en waterpartijen maken het tot een plezierige woonomgeving. De bebouwing is een aangename mengeling van rijtjeshuizen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande huizen, kleine en grote villa’s. Voor ons was daardoor destijds de overgang van wonen midden in de natuur naar hier minder schrijnend. Verkeersrumoer is er nauwelijks en van burenoverlast heb ik nog nooit gehoord.

Op mijn dagelijkse wandelingen met de hond passeer ik twee kleine meertjes die te groot zijn om ze vijvers te noemen, maar eigenlijk te klein voor de aanduiding meer. Meertjes tussen tafellaken en servet, zeg maar. Ook zijn er leuke kanaaltjes of brede sloten met riet en waterlelies. Vermoedelijk hebben al die watertjes een functie als waterberging, maar tegelijkertijd zijn het fraaie elementen die het geheel een landelijke uitstraling geven. Er zijn zelfs boerderijen met weilanden waarin paarden en schapen lopen. Net als toen we nog in het bos woonden, zie ik hier tientallen boerenzwaluwen en gierzwaluwen hun sierlijke cirkels draaien. Ze hebben vermoedelijk hun nesten in de boerenschuren in de omgeving en in de manege hier vlakbij.

Onze wijk is gescheiden van de rest van de stad door de snelweg A32 naar Steenwijk, Heerenveen en Leeuwarden. Ook de spoorlijn naar het Noorden doorsnijdt op ongeveer dezelfde manier de stad. Dat betekent dat het stadsleven zich min of meer buiten ons om voltrekt. Mij stoort dat allerminst. Lekker rustig is het. Ik wandel met de hond in de rust van het landelijke buitengebied en heb daarbij geen last van het drukke stadsverkeer, voor zover daarvan in dit provinciestadje überhaupt sprake is.

Zo lang als ik hier woon – inmiddels ruim vijf jaar – zie ik tijdens die wandelingen in het tweede meertje een surfplank drijven die kennelijk van niemand is. Soms wordt hij door de wind naar een ander gedeelte van het water geblazen. Nu ligt hij alweer weken voorin, in een van de kanaaltjes die in het meertje uitmonden. Niemand bekommert zich erom. In het gat waarin de mast hoort, is begroeiing ontstaan: rietpluimen steken eruit omhoog en sinds kort een jonge es.

Wat mij hogelijk verbaast is dat hij niet al lang door spelende kinderen is opgeëist. Eén keer in deze afgelopen vijf jaar is hij door iemand van de gemeente in de tuin van een huis op het droge gelegd. Kort daarna dreef hij weer in het water. Waar zijn de kinderen sowieso? Waarom zijn ze niet bij de waterkant aan het klooien met water en modder? Waarom gebruiken ze de plank niet als boot? Waarom zijn ze op warme dagen niet in het water? Zijn het de vaders en de moeders die het verbieden? Angst voor de ratten, de waterplanten, verdrinkingsgevaar?

Als kind woonde ik geruime tijd in de Watergraafsmeer in Amsterdam. Tegenover ons was nog een wei met koeien. Wij waren voortdurend aan het rommelen in de sloot die tussen de straat en het weiland lag. Stekelbaarsjes, kikkervisjes, dammetjes bouwen (‘dempies”). Of we liepen naar de Ringvaart of het Merwedekanaal. Klooien in en bij het water, zwemmen, bootje varen, een sleepje pikken. Levensgevaarlijk! Geen moeder die het tegenhield, want de moeders wisten meestal niet waar we uithingen. ‘Voorzichtig bij het water, hoor jongens!’ ‘Ja, mam.’

Waar zijn de kinderen nu en waarom drijft die surfplank daar maar? Niemand is in hem geïnteresseerd, niemand kijkt naar hem om. Zelfs de eenden in het meertje willen hem niet gebruiken als drijvende slaapplek. En de mannen van de plantsoenendienst komen ook niet op het idee om het ding maar eens weg te halen. Hij is als een van die eenzame bewoners van de ‘boulevard of broken dreams.’ Weemoedig stemt het. Even moet ik denken aan Manolo, een Spaanse vriend van weleer. Op zijn achtste werd hij door zijn stiefvader de straat op geschopt. ‘Zorg maar voor jezelf. Ik doe het niet meer.’ Daar sta je dan, niet gewenst, uitgekotst. Hij werd zwerfkind, soms opgevangen door mensen of instanties en soms niet. Met vallen en opstaan werd hij bouwvakker. Soms ging het goed met hem, soms slecht. Drank, mislukte relaties, armoede. Hij zong de flamenco vanuit zijn eenzame hart.

Waar zijn toch de kinderen van nu?

 

Reinier van Arnhem, parlevinker