Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 2 Guests.

Herfst en Mulisch

010

Herfst 2010. De regenboog boven de Amstel waar de kist van Harry Mulisch onderdoor vaart, op weg naar Zorgvlied.

Het is herfst en ik herlees Harry Mulisch. Heb althans de afgelopen weken Hoogste tijd herlezen en het dagboek van Victor Werker – nee, de brief van Victor Werker aan zijn doodgeboren dochtertje Aurora – in De procedure.

Veel boeken van Mulisch zijn in de herfst verschenen, de twee die ik net noemde, en uit mijn hoofd weet ik dat in ieder geval ook van De toekomst van gisteren, Het sexuele bolwerk, Twee vrouwen en De aanslag. De toekomst van gisteren las ik in de tijd dat ik naar aanleiding van de grote novemberstorm van 1972 mijn debuut-gedicht Mijn herfst schreef, dat begint met de raadselachtige regel ‘Mijn heiligver-klaring wordt nog even uitgesteld’. ‘Mijn heiligverklaring’, toe maar… steekt daar niet iets Mulischiaans doorheen?

Hoe dan ook, het kopen van een nieuwe Mulisch – ik pakte het bij binnenkomst in de boekhandel altijd onverwijld van de stapel en stapte er gedecideerd mee naar de kassa , alles in een en dezelfde vloeiende beweging – heeft jarenlang bij mijn herfstrituelen gehoord. In 2011 en 2012 heeft het me dan ook verheugd dat er postuum werk van hem uitkwam, achtereenvolgens De tijd zelf en Logboek. Met name het laatste, dat gaat over allerlei processen en dagelijkse beslommeringen rondom het ontstaan van De ontdekking van de hemel,  heb ik verslonden en ga ik ook zeker nog eens herlezen. Het eerste, De tijd zelf,  is ook mooi, en onmiskenbaar Mulisch, maar nog te embryonaal, veeleer parafernalia dan een organisch geheel.

Veel van zijn boeken beginnen ook in de herfst. Dat viel mij eens te meer op bij het herlezen, onlangs, van Hoogste tijd en De procedure. In beide boeken is het meteen in het begin al raak. Even een fragment uit De procedure, dat binnen het gehele oeuvre niet op zich staat:

013

Laatste rondvaart dan wel overtocht. De Amstel als Styx…

‘De eerste lichtgevende woorden zijn in het ultramarijn van het computerscherm verschenen, terwijl buiten de verblindende, ondergaande herfstzon over het plein schijnt. Uit de laaiende hemel in het westen stromen tramrails als gesmolten goud uit een hoogoven, tussen de zwarte bomen verschijnen auto’s uit de baaierd, verdwijnen er in, mensen lopen aan het hoofd van meterslange schaduwen. Aan de stand van de zon in mijn kamer kan ik zien hoe laat het is: het licht valt schuin naar binnen, het is zes uur, spitsuur, voor de meesten is de werkdag ten einde.’

Herfst en Mulisch. Wat voor betekenis valt er te geven aan de ontegenzeglijke voorliefde voor gloedvolle herfstaferelen die de schrijver zo dikwijls aan de dag heeft gelegd? Van zowel Hoogste tijd als De procedure zou je kunnen zeggen dat het gaat om vooruitwijzingen naar het sterven dat in beide werken zo’n prominente rol heeft te vervullen. Maakt dat van Mulisch dan een romanticus uit de school van Châteaubriand, Rousseau, Nerval, Keats of Rhijnvis Feith? Technisch gesproken wel, als je kijkt naar zijn taal en de beelden (‘de laaiende hemel’, ‘gesmolten goud’, ‘meterslange schaduwen’) die hij oproept, maar thematisch zie je hem toch duidelijk een stap verder zetten, waar veel van zijn geschriften een soort onderzoeken bevatten naar – en in – de schemerzone tussen leven en dood. Vaak is er zelfs sprake van een zich tegen iedere vergankelijkheid schrap zettende hang naar onsterfelijkheid en, in het geval van De procedure, van pogingen leven te scheppen uit dode materie.

011

Andermaal die kleurige triomfboog als eresaluut aan de verscheiden schrijver.

Van het feit dat, zoals gezegd, veel van hem in de herfst verschenen is, kun je natuurlijk beter geen diepteanalyse geven. Zoiets zou er maar met de haren bijgesleept zijn en de meeste literatuur komt nu eenmaal in het najaar uit – men spreekt in die zin niet voor niets van de ‘grote najaarsstorm’.  En voor de literatuur in het bijzonder geldt misschien ook wel wat voor het leven in het algemeen geldt, hetgeen niemand ooit beter dan Rilke heeft verwoord:

‘Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr.’

En toch geloof ik waar het gaat om alle herfstboeken van Mulisch ook weer niet in toeval, maar zie hun verschijning in september of oktober als een wezenlijke bekrachtiging van een op zichzelf al heel krachtig thema: de verkenning van het grensgebied tussen het tijdelijke en het eeuwige.

PG

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *