Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 1 Guest.

De passant IV

Slot van mijn logboek uit de zomer van 2007. PG

Dedemvaart, 1 augustus
Don Quichot

passanten en Parijs 204Een en al strijd vandaag. Wat aan mij ligt – niet aan Dedemsvaart. Zou ik last hebben van alle spuuglelijke bankfiliaaltjes die ik als passant tijdens mijn omzwervingen aanschouwd heb en die af en toe zelfs mooie historische gevels weg leken te duwen? Van die misvormde, vaak ook nog in vloekende tinten opgetrokken bouwseltjes, met slechts één boodschap: mensen, wij hebben geld, dus hoeven we geen smaak te hebben. Maar goed, laat ik vooral niet vechten tegen windmolens en braaf mijn werk doen.
Ik fotografeer het witte hefbrugje bij de kalkovens, een genoeglijke plek, waar het niettemin meteen fout loopt. Vanuit een Opel Kadett toetert een jochie naar me en maakt een schietgebaar. Hierdoor nog meer van slag af loop ik naar de Hoofdvaart. Kaarsrecht verdwijnt het water aan beide kanten in een verre horizon en lijkt met zijn bruggen om de zoveel meter op een hindernisbaan voor hordelopers. Verder hier het beeld van een engel, zwart, gouden vleugels op zijn rug.
Op de markt gaat het opnieuw mis. In het plantsoentje bij de viskraam staat een bord ‘Laat hier uw hond niet uit’, en precies daarachter laat een kerel met een witte honkbalpet zijn dobermann een overdadig walmende behoefte doen. Als hij mij ziet kijken, maakt hij geen schiet- maar een ander gebaar… Lafhartig bestel ik een haring. Ondertussen staat een Duits echtpaar de visverkoopster af te snauwen, omdat ze het net gebakken lekkerbekje niet nog eens in de magnetron wil doen. ‘Sie sind ein Fischweib’, wil ik de Duitse mevrouw toevoegen. Alleen stokken van pure onmacht de woorden in mijn keel.
Terug, ten slotte, naar de kalkovens, die stomp en statig voor mijn oog verrijzen. Bij gebrek aan windmolens moet ik met hen mijn strijd maar verder uitvechten.

 

Hardenberg, 2 augustus
In het labyrint

ardenbergOm zijn overspelige vrouw een lesje te leren en de door haar gebaarde ‘Minotaurus’ (half mens, half stier) voorgoed op te sluiten, liet de Griekse koning Minos op Kreta een labyrint neerzetten. En sindsdien kom je ze overal tegen, dit soort stenen doolhoven, bedoeld of onbedoeld, maar altijd heeft het iets met aanzien of macht te maken.
Wat een schrik vanmorgen in Hardenberg! De muziektent op het marktplein is weg, het beeldje van de Klepperman ook en daarachter in de steigers – juist, u raadt het al – verrijst een labyrint, Binnenplein Nobilis geheten.
Toch lijken de jonge gezinnen in de Voorstraat met hun bermuda’s en hun plastic tassen nergens last van te hebben. Er worden hemaworsten genuttigd, en ijsjes. Het lijkt wel of er met het jaar meer toeristen hiernaartoe komen en ze zullen ongetwijfeld nog talrijker zijn als Nobilis gereed is. ‘Misschien is dit wel goed voor Hardenberg’, zegt ons een bruinverbrande moeder die net haar zoontje in de draaimolen heeft getild.
Misschien… Het grappige is dat ik Hardenberg eigenlijk nooit anders heb gekend dan als een (gastvrij!) labyrint. Het winkelcentrum. De Voorstraat. Het Wilhelminaplein. De parkeerterreinen bij de grote supermarkten – al die verschillende werelden die verbonden door traptreden, terrassen, kromme gangetjes en vergeten straatjes samenvloeien tot één groot doolhof aan de Vecht.
De zongebruinde vrouw tilt haar kind weer van zijn paardje en vertelt dat de Klepperman ergens is opgeslagen en terug zal komen wanneer alles eenmaal klaar is.
Gelukkig. Maar hopelijk raakt hij dan niet verdwaald in dit nieuwe labyrint, dat Hardenberg op moet stoten in de vaart der volkeren. En laat hij toch vooral zijn natuurlijke vriendelijkheid behouden.

 

Heemse, 3 augustus
Gezichten van de tijd

ardenbergHoe ziet de tijd eruit? We stellen ons een lijn voor waarlangs we ons verleden en ook onze toekomst leggen. Zo althans leerden we het vroeger op school bij geschiedenis.
Maar de tijd heeft nog veel meer gezichten. Neem hier in Heemse ‘Old Hiemse’, de ambachtelijke bakkerij die voorgoed zijn deur gesloten heeft. Of het witte kerkje, van Romaanse vorm, met toch die puntvormige Gotische vensters erin. Het kijkt uit over die heuvelachtige brink, waar ooit een schooltje stond en nu alleen wat koeien hun gras loom liggen te herkauwen.
Half twee. Op dit punt diep in het Vechtdal toont de tijd voor mij zijn meest verstilde dodenmasker, want in het kerkje van Heemse heb ik in de loop der jaren nogal wat familieleden uitgeleide moeten doen. Dierbaren dus, hier ooit gedoopt, later getrouwd en uiteindelijk intens gemist…
Op het niet meer gebruikte kerkhof in de achtertuin van het schip weer een andere aanblik van de tijd. Zo is er een oude eik dwars door de verroeste spijlen van een graf gedrongen, heeft eigenlijk het hekwerk in een handomdraai verfrommeld. In een met veldbloemen bestikt familiegraf lees ik op de steen: Job 19: 25-26. Voor wie het weten wil, het gaat om versregels die oproepen tot berusting, troost, en dat is ook bepaald geen luxe, omdat de ons toegemeten tijd soms een ongekend meedogenloos gezicht laat zien.
De lindehaag aan de Scholtensdijk ritselt even in een zuchtje wind en leidt mij van al dit zwaar gepieker weg. Als ik omhoog kijk naar de toren, zie ik dat het inmiddels tien voor twee geworden is. Een glimlach over de wijzerplaat.

 

Venebrugge, 4 augustus
Aan de grens

passanten en Parijs 085Paarden zijn mythische wezens. Half mens, vanwege hun benen en hun hoofd, en half dier, vanwege – nou ja – dingen die mensen eigenlijk ook doen. Je hoort ze niet veel, afgezien van af en toe wat briesen of wat hinniken, en je hebt altijd het idee dat ze, zoals reeds opgemerkt bij Witte Paarden, een diep geheim verzwijgen.
Dat geheim nemen ze dan mee hun graf in, maar met een beetje geluk toch eerst naar het paardenrusthuis waar je alvast een voorproefje te zien krijgt van hun volgend leven.
De Knollenweide, Venebrugge. De oude weg van Hardenberg naar Duitsland kronkelt ernaartoe langs statige boerderijen en schaduwrijke buurtschappen. Oneindig is het land op deze plek en ook oneindig stil. Alle vakantiegangers houden zich elders in het Vechtdal op Hier even van mijn fiets (= stalen ros…) afstappen. Rechts, een glooiend weiland waar groepjes bruine en witte paarden onverstoorbaar grazend genieten van hun welverdiende oude dag. Links, in het verschiet, de Duitse grens.
Dat het eveneens een rusthuis is voor huifkarren, ontdek ik op het laantje naar de stallen en de weide, waar er nog een versleten exemplaar staat, dat niet meer wordt gebruikt – of het in ieder geval heel rustig aan doet. Het bord even daarvoor maakt een tikje ruige indruk: The Green Ranch.
Je snuift hier natuurlijk ook de geur van paarden op. Het is het dier dat je ruikt, maar paarden stinken niet, wat je niet van alle aardse levensvormen zeggen kunt…
Terug op mijn fiets zie ik voor mij weer de grenspost. Daarachter strekt zich groen en donker Duitsland uit. Maar voor de paarden begint daar het hiernamaals.

 

Mariënberg, 6 augustus
Weerzien in stilte

ardenbergIn de film ‘L’année dernière à Marienbad’ (‘Vorig jaar in Marienbad’) uit 1961 krijgt de toeschouwer een merkwaardig beeld van groepjes mensen in avondkleding op een kasteel. Soms klinkt er meeslepende muziek en er wordt ook gepraat, maar het geheel is vreemd verstild. De camera glijdt door lange gangen, bestrijkt een park dat lijkt op de paleistuin van Versailles, en ondertussen valt een heer een dame lastig met de bewering dat hij haar vorig jaar in Marienbad ontmoet zou hebben.
Die film zag ik meer dan dertig jaar geleden, en in dezelfde tijd stapte ik op een ochtend na een week Drenthe in Mariënberg over op het treintje naar Almelo. Dat heb ik daarna vaker gedaan en altijd vielen Mariënberg en Marienbad uit het verhaal samen. Even verstild. Verder geen kasteel hier of volk in avondjurk of smoking, en ook geen paleistuin. Wel tegenover het station de oude fabriek van de Coöperatieve Aan- en Verkoop Vereniging met zijn verlaten laadperrons en weggestopt ernaast het gereformeerde kerkje van het dorp…
Vanmiddag is het op het stationspleintje nog stiller dan stil en je vraagt je af waar het bord ‘Attentie, buurtpreventie’ toe dient – tegen het ter plekke in slaap vallen misschien?
Te laat, gezien de rust waarin alles hier ligt te baden. En zelf dommel ik nu ook weg op een bankje op het perron en open mijn ogen pas weer als de overweg begint te bellen. Uit het Almelose boemeltje stapt een knappe vrouw in zomerjurk, met een waaier van rood haar. Wanneer ik instap, kijkt ze mij vragend aan, en weet ik zeker dat we elkaar eerder hebben ontmoet: vorig jaar in Mariënberg.

 

Ommen, 7 augustus
Troje aan de Vecht

passanten en Parijs 172Zoals de oude Grieken ooit op slinkse wijze Troje overvielen, zo veroveren kunstenaars de wereld. Zonder dat je het meteen in de gaten hebt. Dat is wat de passant deze morgen hier in Ommen constateert. Bij de brug over de Vecht ligt het karkas van een dinosaurus (reusachtige rugwervels en ribben) en voor het oude postkantoor, staat een langgerekt bronzen paard. Met vrouwenbenen.
Aan de voet daarvan, een beeldengroepje. Mensen die zich lijken te baden in steen. Er hoort nog een bokje op een ei bij, maar dat is zoek. De voorbijganger die ik ernaar vraag, verwijst mij naar de parkeerplaats verderop, maar daar tref ik slechts twee vette varkens op een sokkel. Een medewerker van de plantsoenendienst stuurt mij weer terug naar het zwarte paard, maar nee, nog steeds geen bokje en ook geen ei.
Het dinokarkas is van Kees Hoogendam, die daarmee het bestaan van de vakantieganger terug wil voeren tot de oertijd. De varkens zijn van Kiny Copinga en de rest is gemaakt door beeldhouwster Iris le Rütte.
Haar paard met zijn kistvormige middenstuk spreekt ongetwijfeld het meest tot de verbeelding. Wat zit daarin? zo vraag ik me af als ik op het terras ernaast ga zitten. Zoals eerder opgemerkt rust het op damesbenen, zeer fraaie… Zou het geheel misschien dames in zich bergen die Ommen in het holst van de nacht overvallen met hun schoonheid en hun elegantie?
Toch nog eens aan Iris le Rütte zelf vragen, hoewel één ding nu al zeker is. Als geen ander heeft zij deze Hanzestad gelegen aan de Vecht met haar werk veroverd, en daardoor zal het hier nooit meer hetzelfde zijn.

 

Op de Lemelerberg, 8 augustus
Ontmoeting met een leeuw

passanten en Parijs 418Van het paard van Troje in Ommen naar de leeuw op de Lemelerberg, waar het op deze doordeweekse dag tussen de middag heel rustig is. Alleen een echtpaar met een hond kuiert voor mij uit naar boven. Er schuiven wolken voor de zon, maar voorlopig is het droog.
Hij zit daar zó levensecht op zijn zuil, lijkt zelfs wat te bewegen in het heiige licht, dat ik hem wel durf aan te spreken. ‘Goedemiddag, mag ik u wat vragen?’
‘Gaat uw gang.’
‘Wat doet u hier?’
‘Van het uitzicht genieten.’
‘Hoe lang doet u dat al?’
‘O, als sinds de jaren twintig van de vorige eeuw. Als eerbewijs aan de Nederlandse onafhankelijkheid in 1813. Let even op de prachtige Art deco cijfers onderaan mijn sokkel.’
Ik loop om de zuil heen en kijk er vol bewondering naar. Dan richt ik mijn blik opnieuw omhoog en zie zijn voorpoten rusten op een stuk papier. ‘Wat heeft u daar? De Stentor?’
‘Ja, ik lees u iedere dag. Ik verwachtte u al. Wacht, ik kom wel even naar beneden.’
Samen flaneren we over een bospad naar een punt, waar hij mij wijst op een valleitje met jeneverbessen en een houten hek erlangs. ‘Schitterend, niet? Net Toscane.’
Er vallen een paar druppels uit de lucht en snel lopen we terug naar de uitspanning, waar ik hem een tosti aanbied. Hij blijkt geen mosterd te lusten, wel ketchup, en hij is dol op cappuccino. Toscane. Na het afscheid zit hij weer massief en vastberaden op zijn zuil. ‘Hoe moet ik hierover schrijven?’ roep ik naar boven. ‘Dit gelooft toch geen mens!’
Maar hij geeft geen antwoord.

 

Vilsteren, 9 augustus
Precies op tijd

passanten en Parijs 389In Vilsteren zijn we een maand te laat. Dat krijgen mijn collega en ik te horen van een mededeelzame meneer (je kunt niet altijd met een leeuw praten…) aan wie we net vroegen hoe het Engels aandoende landhuis heette. Waarom te laat? Omdat een maand geleden het festival ‘Mooi Vilsteren’ had plaatsgehad. Het landhuis hoort trouwens bij het landgoed Vilsteren. Natuurlijk.
Toevallig blijkt de man de gids van de molen. Hij beveelt ons verder de bekende stuw in de Vecht aan, de kerk en een informatiecentrum in een boerderij. In feite zijn we dus helemaal niet te laat, want Vilsteren heeft nog steeds genoeg te bieden. En is altijd mooi, zoals het tegelijk bescheiden en krachtig aan de weg van Ommen naar Dalfsen ligt…
Die weg door het Vechtdal, daar is iets mee. Als een tunnel van groen, met aan weerszijden eiken, zagen wij hem net langs de dijk een beetje dromerig de loop van de rivier volgen. En je kunt je bijna visueel voorstellen hoe een reiziger in voorgaande eeuwen Vilsteren naderde. Eigenlijk zou je het met paard en wagen moeten doen of, als hij nog reed, met de postkoets van Emmen naar Zwolle, om uit te stappen of de nacht door te brengen in Herberg de Klomp.
Waar niets veranderd is. Een witte uitspanning met een rieten dak. Een sfeervolle gelagkamer, een rustiek terras met lichte parasols, waar we gaan zitten na onze gids de hand geschud te hebben. De negentiende eeuw is nog in volle gang hier, zomer 2007, dus we zijn echt niet te laat, kúnnen niet te laat zijn. In Vilsteren ben je onveranderlijk precies op tijd.

 

Dalfsen, 10 augustus
De kleinste tempel van Jeruzalem

passanten en Parijs 383Behalve het Russisch-orthodoxe kerkje in de rue Claude-Lorrain te Parijs is er geen gebedshuis ter wereld dat je zo gemakkelijk over het hoofd kunt zien als de synagoge van Dalfsen. Klein en ingesloten door een rijtje huizen aan de Julianastraat lijkt dit gebouwtje op zijn eigen bescheiden manier zijn herinneringen te koesteren. Het wordt nu gebruikt als expositieruimte; jaren geleden al had ik er een feestelijke bijeenkomst rond een jubilaris.
Vanmorgen ligt de Julianastraat er stil en uitgestorven bij. De afwezigheid van auto’s gunt je een blik in een andere tijd die voorgoed voorbij is, maar die op dit ogenblik de kans krijgt even te herleven. Mijn enige gezelschap momenteel is een merel die parmantig over de daklijst hipt en met een schuin kopje voor mijn camera poseert. Verder getjilp van andere vogels in de tuinen achter…
Koning Salomo stichtte de tempel van Jeruzalem die meermalen werd verwoest en alle synagogen ter wereld zijn feitelijk naar het voorbeeld van die tempel gebouwd. En sommigen ook meermalen verwoest. Gelukkig zijn er heel veel van terug te vinden. In Enschede is een wonderschoon exemplaar bewaard gebleven – een soort moskee zonder minaretten – en in Assen heeft een gereformeerde kerk het Joodse gebedshuis ooit gekraakt, maar het staat ook daar tenminste nog.
Terwijl ik met mijn fototoestel naar de Vecht wandel, schiet mij de beginregel van een gedicht (dat ik nog moet schrijven) te binnen: ‘De tempel van Jeruzalem staat overal.’ En hoe klein het tempeltje van Dalfsen ook is, uiteindelijk zie je het toch niet over het hoofd, dankzij vogels die je aandacht vestigen op een geschiedenis die nooit vergeten mag worden.

 

Zwolle/ Haerst, 11 augustus
Apollo’s graf

ardenbergDit wordt mijn laatste stukje. Ik ga het vandaag niet hebben over de Griekse god Apollo, maar over ‘de neger’ die even buiten Zwolle ligt begraven. Als hij wakker zou worden, zou hij met Dante denken: ‘Op ’t midden van ons levenspad gekomen/ Kwam ik bij zinnen in een donker woud’.
Want Apollo rust in een schemerig bosje, net achter de Vecht bij Haerst. Een neger was hij niet. Alleen had men toentertijd in Zwolle nog nooit een andere huidskleur gezien. Hij werd waarschijnlijk geboren op Celebes, stierf hier in 1828 en werd door zijn meester Joan Hendrik Tobias, vanwege het feit dat hij hem een keer het leven had gered, beloond met een hoogsteigen laatste rustplaats.
Een vreemde middag. Nu eens giet het uit donkerbruine wolken, dan weer loop je te zweten in de brandende zon. Het is momenteel droog, al druppelen de bomen van ‘het donkere woud’ wat na in zwartomrande plassen. Van een afstand ogen de twee puntige grafstenen in het groen als een wieg, zij het dan als een wieg met alleen een achterkant en voorkant, een onzichtbaar hemeltje op een verweerde bakstenen rand ertussen.
Dat Apollo toegewijd was, blijkt wel uit het opschrift op de steen voor mijn voeten: ‘De heer heeft aan zijn trouwste dienstknecht dit graf gewijd.’ Mooier kun je iemand haast niet bedanken voor een vanzelfsprekende, allang uitgestorven dienstbaarheid.
Op de andere steen staan sierlijke Arabische letters. Onbegrijpelijke tekens. Toch is het eerbewijs hier zonneklaar. En dat is wat ik hem bij deze ook breng. Celebes, Haerst. Apollo was een passant, en uiteindelijk zijn wij dat allemaal. Ik groet iedereen. Misschien tot ziens.