Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 2 Guests.

De passant III

Logboek PG zomer 2007, derde deel

Genemuiden, 21 juli
Water en vuur

passanten 2 271Waarom zou je een omweg maken als het ook korter en spannender kan? Met die gedachte in het achterhoofd rijden de passant en zijn reisgenote vanaf Zwartsluis niet via de weg naar Genemuiden, maar zoeken het veer over het Zwarte Water op. We weten zeker dat we aan het water een heel ander Genemuiden treffen dan langs de weg. Water leidt, zoals in Hattem vastgesteld, naar andere, ongekende werelden, en daar gaat het om: de onze is ons al bekend.
We hoeven niet lang te wachten. Samen met vier anderen rijden we het dek op, zetten de raampjes open en vertrekken in een aangenaam koele wind, die bijna een briefje van vijf euro meeneemt bij het betalen, maar dat stimuleert slechts onze zin voor avontuur…
Als je wilt doordringen tot het hart der dingen, moet je richting kerktoren. Alleen hebben we na een overdosis marktjes, kerkjes, haventjes enz. behoefte aan wat anders en worden (na toch wel een betoverende sluis) op onze wenken bediend in een smalle straat Achterweg genaamd.
Een dijk, met een rijtje houten huisjes onderbroken door een hooiberg. Apart. Even uitstappen maar. Tot voor kort, zo vertelt ons een klussende buurtbewoner die sprekend op mijn opa van vaders kant lijkt, waren dit allemaal hooibergen. Nu mogen er op last van de gemeente alleen maar dit soort schuurtjes staan, waar mensen zoals hij wat eigen timmerwerk doen. Hij laat ons de brandgangen zien die schuin aflopen naar de bermsloot met bluswater aan de achterkant. Het gevaar is voel- en zichtbaar en heeft hier al verscheidene malen toegeslagen. Dit is dus het Genemuiden dat je via het water bereikt. Een vurig oord.

 

Hasselt, 23 juli
Stad

passanten 2 208Hasselt vanmorgen vervult mij met verwondering. Wat waren sommige steden vroeger klein… Kleiner in elk geval dan alle uitgestrekte dorpen van nu – neem Apeldoorn, Dronten. Maar vooruit, de mens van toen was zelf ook stukken kleiner, en een nederzetting werd al snel gemodelleerd naar het klassieke principe van de stad-staat. Een burcht. Meestal klein.
Het stompe hoofd van de verdwenen Van Nahuijsbrug benadrukt hier het burchtachtige. Een krachtig punt in de regio. Een stenen leeuw kijkt er zelfverzekerd over uit. Zijn voorpoten rusten op een wapenschild. Het heet hier Justitiebastion, en verderop bij de Waterpoort is een mooie ronde kanonskogel in de muur gemetseld.
Na een wandeling langs kringelende straatjes en donkere grachten met Amsterdamse namen sta ik op de kleinste markt die ik ken. Aan mijn voeten, tussen de straatklinkers, een zilveren wimpel met een paar woorden: Hoe velen zijn niet deze weg gegaan. Een mevrouw die mij ziet lezen, tikt op mijn schouder en lacht: ‘Het staat er fout, hoor. “Hoe” en “velen” moet aan elkaar geschreven te worden: HOEVELEN zijn niet deze weg gegaan. Het is geen vraag!’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Nou, als je zegt: “hoe” en dan pas “velen”, dan wil je precies weten hoeveel mensen hier ooit hebben gelopen. Maar als je “hoe” en “velen” aan elkaar plakt, dan verwonder je je over de aantallen die jou zijn voorgegaan.’
Natuurlijk. Ze heeft volkomen gelijk. Er wordt ons niet een of ander rekensommetje voorgelegd, maar een versregel. Bij het oude stadhuis ligt de poëzie dus letterlijk op straat. En het is duidelijk wat ermee bedoeld wordt. Gewoon: op deze plek liggen oneindig veel voetstappen. Dat heb je in een echte stad.

 

Ramspol, 24 juli
Een reuzenschaaldier

balgstuwDe hemel wordt bewoond door goden, water meestal door monsters. Laten we voor het gemak de sprong maken naar Loch Ness. Ze hebben daar ooit in de mist de contouren van een zwemmende circusolifant gezien, maar dat was natuurlijk niet genoeg: het moest wel een mythisch wezen zijn.
In Nederland maken we alles zelf, dus ook onze eigen watermonsters, en de balgstuw in Ramspol is daar het beste voorbeeld van. Een onvergetelijk moment was het, de eerste keer dat ik daar een tweekoppig beest in een woeste januaristorm zag: twee zilveren koppen, een wervelkolom van witte segmenten waar – over meer dan honderd meter – rubber doek doorheen liep, dat zich in de nacht met water en lucht had gevuld om het stijgende meer in bedwang te houden.
Vandaag in juli stormt het niet hier in Ramspol, er verplaatsen zich alleen af en toe wat schaapjeswolken die hun schaduw werpen over de wilde margrieten langs de dijkweg naar de stuw. Er lopen dagjesmensen rond met camera’s, die na een paar minuten alweer in hun auto’s stappen en verdwijnen. Naast de metalen schelp, die aan deze kant het hoofd vormt, leidt een trapje naar een vlonder met uitzicht op het reuzenschaaldier in ruste.
We zien het doek vanuit de segmenten als dweilen in water hangen. Moeilijk, je nu een voorstelling te maken van de kracht waarmee de boel hier zichzelf oppompt als het Ketelmeer opdringerig wordt en alle boze watergeesten en gedrochten samenspannen in een januarinacht vol storm. Met boeven vang je boeven en met monsters hou je monsters tegen. Wie op deze zomeravond gamba’s of rivierkreeftjes eet, ziet allemaal kleine balgstuwtjes op zijn bord.

 

Kampen, 25 juli
Sporen

passanten en Parijs 218Enige jaren geleden werkte ik op uitnodiging van De Stentor mee aan de serie ‘Sporen’, artikelen over schrijvers in wier werk sporen terug waren te vinden van de regio, en die zelf hier ook hun spoor hadden getrokken. Een aantal stukken is gebundeld en vorig jaar in boekvorm uitgekomen.
Het spoor dat Kampen bij W.F. Hermans achterliet, is wellicht wat mager, maar omdat ik er zojuist toch via het Kamperlijntje ben aangekomen kan ik net zo goed even gaan kijken wat er klopt.
Ik verlaat de schaduw onder de overkapping van het station, laat mij overweldigen door het schitterende kadefront aan de overzijde, steek de brug over. Op een pleintje met de naam Plantage neem ik plaats aan een terrastafeltje en sla ‘De tranen der acacia’s van Hermans open. Perfecte weergave: het hotel ‘onder de toren’, waar de hoofdpersoon overnacht moet wel Hotel De Zon zijn in de Torenstraat. Daarvoor, een treffende beschrijving van het station, de IJssel en de brug.
Alleen heel anders dan deze middag in de zomer, met slenterende toeristen en hun ijs etende kinderen, is het bij Hermans koud, mistig en oorlog. En toch blijft Kampen herkenbaar, zo lees ik verder bij een biertje: ‘Hij stond in een smal, koud straatje (…). Aan het eind van het straatje was een hoge toren met een poort. Terwijl Oskar onder de poort liep, begon het carillon te spelen (…). Hij kwam uit op een brede straat, recht tegenover het postkantoor’.
Tot zover. Na afgerekend te hebben wandel ik met de schrijver mee door de Torenstraat en dan langs het postkantoor weer naar de brug. Alle sporen kloppen, want Hermans had altijd gelijk.

 

Zalk, 26 juli
Op bedevaart

passanten 2 114Vanaf de IJsseldijk bij Zalk gezien, is de ABN-AMRO-toren het allerlelijkst. Meer dan ooit een monsterlijke mobiele telefoon. Piepklein daarachter de Peperbus. Het is wel duidelijk om welke belangen het draait. Hier geen staat die, zoals ooit het oude Rome of Athene, door dichters en door denkers wordt gedragen. Gelukkig blijft het IJssellandschap fraai en weids, en dichterbij is alles nog mooier: waterlelies in de uiterwaarden, grazende schapen.
We betreden Zalk als middeleeuwse pelgrims, met een zachte rivierbries in de rug. Dat we aan het juiste adres zijn, toont ons een bord op de pastorie achter de Sint Nicolaaskerk: ‘zoo worde hier gereikt een bete Hemelsch brood/ den moeden pelgrim op zijn verre reis ten troost’.
Vervolgens het dorp weer in, dat door louter vogels bewoond lijkt te worden. Jonge zwaluwen piepen in een nest onder de daklijst van een eetcafé. In een tuin vlak voor windkorenmolen De Valk zit een ganzenfamilie zich af te poedelen in een vijver. Ergens op een paal mijmert een rafelige ooievaar.
Terug bij de Sint Nicolaaskerk zien we dat de deur openstaat: hé, er wonen hier toch mensen! Een vriendelijke kosteres onderbreekt haar stofzuigsessie om ons over de kerk te vertellen. Over de hoge ligging vanwege het welwater. Over de zerken in de dooptuin bij de kansel. Haar hond snuffelt aan onze schoenen en wij snuffelen zelf wat langs de muren waarin nog een paar wijdingskruizen uit de Middeleeuwen schemeren. Hier moeten indertijd toch pelgrims langsgekomen zijn…
Opgeknapt van zoveel moois en zoveel erfgoed nemen wij afscheid, waarna de stofzuiger weer zoemt. In Zalk komen we vast nog wel eens terug. Op bedevaart naar schoonheid.

 

Wilsum, 27 juli
Verrassing

passanten 2 008De ene beschaving wordt weggespoeld door een zondvloed, de andere van de kaart geveegd door oorlogsgeweld, aardbevingen – noem maar op. Bovendien wordt er tegenwoordig veel met de grond gelijkgemaakt door die eeuwige pasodoble tussen overheden en projectontwikkelaars. Maar met wat geluk blijven er ook wel eens ruïnes liggen, soms zelfs een hele stad of nederzetting.
Waarschijnlijk heeft een middeleeuwse nederzetting als Wilsum haar oorspronkelijk karakter te danken aan haar hoge ligging. De plaats oogt als een dijkdorp, met een indrukwekkend IJsselzicht. Alleen geen dijk hier, of een natuurlijke: de huizen zijn gebouwd op een rivierduin van zes meter hoog.
Wilsum. Een overweldigende verrassing voor de passant en zijn gezellin, op deze morgen hartje zomer. Trots als een boegbeeld overziet het oudste zaalkerkje van Nederland de uiterwaarden en het water. De achterzijde aan de straat gaat half schuil achter een haagje leilindes, maar de krachtige aanwezigheid van schip en toren zal geen mens ontgaan. ‘Mensen reizen maar naar het buitenland, terwijl ze hun eigen land niet eens kennen,’ zei een tante van mij ooit, doelend op de vuurtoren van Haamstede. Die is vandaag wat uit de richting, maar de pomp op het lommerrijke pleintje achter de kerk hier maakt veel goed.
Een zolderraam klapt open en twee kleine meisjes begroeten ons: ‘Komen jullie van de natuur genieten?’ ‘Ja,’ roepen we terug. ‘Kennen jullie trouwens het Laarzenpad?’ Dat kennen ze en ze vertellen dat je er helemaal geen laarzen nodig hebt, en inderdaad: het pad blijkt niet echt nat te zijn, wanneer we even later langs de IJssel lopen. We kijken omhoog en Wilsum kijkt terug, vanuit een ver verleden dat maar niet voorbijgaat.

 

Zwolle, 28 juli
Met de nachtboot naar Amsterdam

passanten 2 086Zomeravond in de serre van café Stroomberg aan de Brink in Zwolle. Het is nog licht. Af en toe snijdt een pizzakoerier voorovergebogen op zijn knalpot de rotonde af; soms zelfs een auto, die komend van de Diezerkade meteen linksaf de Thomas a Kempisstraat in scheurt. Er zou hier voor een politieman momenteel heel wat te halen zijn.
Nee, dan de nachtboot die begin vorige eeuw vanaf de kade aan het Blekerswegje héél rustig via Thorbeckegracht en Willemsvaart verdween in de avond en bij zonsopgang het Amsterdamse IJ op voer… Toen kwam Triton, de zoon van de Griekse zeegod Poseidon, nog wel eens in de Zuiderzee en blies daar op zijn schelp om de golven in beweging te brengen. Voor de reiziger op de nachtboot zullen er vast spannende momenten geweest zijn tussen Zwolle en Amsterdam. Hoe zou het met Triton gaan sinds er geen zee meer is? Het kan in ieder geval nog steeds behoorlijk spoken daar, dus wie weet is onze jonge god er nooit vertrokken.
Ik steek de Brink over langs de randen van het rozerode bloemperk in het midden en volg de reling van de Diezerkade naar het Blekerswegje. Een laatste stukje tramrails bij het parkeerterrein is de stille getuige van havenverkeer dat er niet meer is. Wanneer ik terugloop, zie ik dat de Brink eigenlijk een soort stationsplein is. De stad begint hier opnieuw. Niet voor niets heet de buurt hierachter ‘Nijstad’. Een taxi doorkruist mijn gedachten. Voor het café stapt een oude dame uit met een koffer op wieltjes en kijkt zoekend om zich heen. Ze is te laat voor de nachtboot.

 

Nieuwleusen, 31 juli
Henk

passanten en Parijs 148Nieuwleusen vanmorgen staat in het teken van onderwijscollega’s. Samen met mijn collega Wim ben ik op pad. We gaan naar Henk, en bij het binnenrijden van het dorp heet vanuit een bushalte het portret van ex-gedeputeerde Jan Kristen ons welkom. Jan, ook een oud-collega. Nederlands gaf hij, net als Wim en Henk.
Zijn vijfentwintigjarige huwelijksfeest vierde Henk in café De Viersprong, waar we twee jaar geleden een tamelijk trieste koffietafel hadden. Wim en ik stappen uit en bewonderen een beeldengroepje van drie fietsers voor het ‘olde gemientehuus’. We zien er Henks vrouw, zijn dochter en zijn zoon in. Henk zelf fietst niet meer mee…
Zijn graf ligt bij een haag waarachter een boerderij staat. Henks achterland – hij kwam van een boerderij in Drenthe, waarom hij hier ligt, vertel ik zometeen – is uiteindelijk zijn voorland geworden. Wim en ik missen hem enorm. Henk was een vaderfiguur en een grote broer, een rots in de branding, en het doet deugd te zien dat zijn weduwe als grafsteen een eerlijk en stomp stuk rots heeft laten plaatsen. Henk was rond en vierkant tegelijk, een boerenzoon met wie je vol genegenheid kon botsen. Daarna sloeg je elkaar op de schouders en ging het leven verder.
Er zijn inmiddels enkele rijen graven bij gekomen, naast het pad waar Henk nu rust. Daartussenin bloeien roomwitte hortensia’s, die je bijna verzoenen met alle gemis.
Als we Nieuwleusen weer verlaten, knikt Jan Kristen ons goedkeurend toe vanaf zijn poster. O ja, ik zou nog vertellen waarom Henk als Drent voor deze plek gekozen had. Hij huwde indertijd het mooiste meisje van Nieuwleusen en zou haar trouw blijven tot in de dood.