Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 2 Guests.

De passant II

Logboek PG zomer 2007, tweede deel

Urk, 11 juli
Havenverkeer

UrkSchokland vergeleek ik met Atlantis. Urk zou ik Athene willen noemen. Onvoorstelbaar, hoeveel verkeer zich door deze smalle straatjes perst. Zou dit horen bij havenplaatsen aan de oude Zuiderzee? In Elburg word je van de sokken gereden door ongenaakbare mevrouwen met een mobieltje aan hun oor in terreinwagens, hier in Urk door witte petjes in zwarte Golfjes of op scooters.
Genoeg over de mensheid. Je moet havensteden nemen zoals ze zijn. Geniet toch van die lucht van verse vis en van het atonaal en schril gezang van meeuwen. Of van het wuivend woud van masten in het water, de terrassen waar je zeevruchten eet en je dorst lest met exquise witte wijnen. Ik ben er meermalen geweest en vanavond weer, onder een lucht, waaruit af en toe wat vette druppels vallen.
Heel spannend in Urk zijn alle duistere trapsteegjes, die vanuit het dorp naar beneden, naar de kades leiden. Soms verdwaal je in een scheepswerf, soms in onmogelijke achterafstraatjes. Zo ga je dan (in Urk) van Athene naar Lissabon. Je kijkt achterom – zoals ik dat op deze enigszins drukkende zomeravond deed – en je ziet de vuurtoren met zijn rode top uitkijken over het woelige water dat Schokland ooit opvrat. Je hoort een branding, die elders allang verstomd is onder weidegronden en diep treurige nieuwbouwwijken, waar eigenlijk niets meer nieuw is, maar alles sleets en flets – en netjes.
Het is hier aan de westelijke rand van de Noordoostpolder niet het einde van de wereld, dat ik in Ketelhaven zag. En tegelijkertijd is het de toegangspoort tot andere werelden en levens, getuige onder meer de veerpont naar Enkhuizen. Neem Urk dus zoals het is.

 

Marknesse, 12 juli
De geest van de pionier

pionierDe ontstaansgeschiedenis van de polder heeft wel iets van Genesis, het scheppingsverhaal uit de bijbel. ‘En uit het land schoot jong groen op, gras, zaadvormend gewas, in allerlei soorten, en bomen die ieder naar zijn soort hun vruchten droegen, met zaad erin.’ Vervolgens werd de eerste mens ‘geboetseerd’…
In Marknesse, ooit het barakkendorp B., staat zo’n geboetseerde mens en kijkt vanaf een L-vormige basalten pier uit over de oostkant van de Breestraat. Het gaat om het standbeeld ‘De pionier’. Een man met een pet die weet wat hij wil, met zijn rug naar de schaduw van de bomen. Alle duister en water liggen achter hem. Maar misschien hoort hij toch nog wat klotsen rond het visserskeetje aan zijn rechterhand.
Opmerkelijk was het straatleven dat zich in het mooie weer van dat moment afspeelde. Halftwee. Mensen trokken met een glimlach van winkel naar winkel. Ik had ergens gelezen dat Marknesse populair was vanwege zijn vriendelijke karakter. Het klopte. Op het parkeerterrein hoorde ik een knars. Toen ik omkeek, zag ik de bestuurder van een Mercedes een royaal gebaar maken, zo van: ‘Neem de tijd, jongen, die is in Marknesse heel anders’.
Ter hoogte van de broodkraam voor de kerk kreeg ik daarna een bejaarde heer in het oog. Hij liep daar op één kruk, in een zalmkleurig jasje, onder een breedgerande hoed. En ondanks zijn gebrek flaneerde hij. Twee kunstzinnige gestalten in spijkerkleding, waarvan één met paardenstaart, kwamen hem tegemoet. Zo zie je ze elders in de polder niet gauw. Maar wel in Marknesse. Nog hangt vandaag in mijn herinnering iets vrijgevochtens. De geest van de pionier.

 

Blokzijl, 13 juli
Déjà vu

passanten 2 052Een droom. Of een herinnering? Een elegant kerktorentje met een blinkende wijzerplaat. Zeventiende-eeuwse herenhuizen in een boog om de haven. Boten schurend tegen kadewanden. Drie heren met zwarte hoeden en witte kragen, die voor de deftige gevels langs lopen en achter elkaar in een steegje verdwijnen. Ze hebben mij niet opgemerkt. De huizen aan de overkant zijn minder voornaam en vervagen achter bomen…
Vandaag wandel ik langs de haven van Blokzijl en herken alles – terwijl ik hier nooit eerder ben geweest. De klok slaat tien uur. Dan is het weer doodstil en zie ik al die plekken, die mij zo bekend voorkomen, ineens namen krijgen: Wortelmarkt, Bierkade. Op de gevels, oude jaartallen in schoonschrift. Ik duik het steegje in: Smidsegang. Rechtsaf, linksaf, verder. De achterkant van het historisch hart is hier en daar minder schilderachtig dan de voorkant. Even een stapje opzij voor een auto die voor de ‘Doopsgezinde Vermaning’ door een plas rijdt en ik sta op de Domineeswal. Het gekke is dat ik ook daar al weet wat ik zo meteen ga zien: een paar weelderige voortuinen, van hun huizen gescheiden door de straat.
Bij de sluis aangekomen, ten slotte, hou ik op me te verbazen. Ik droom immers vaak van dit soort locaties. Groen en geheimzinnig strekt deze sluis zich uit in donkere en ondoorgrondelijke bassins, via de Wortelmarkt tot aan de haven. In het bassin voor het sluiswachtershuisje zit een wilde eend zich uitbundig te wassen, om vervolgens met geheven snavel weg te vliegen. De nog jonge sluiswachter kijkt achter zijn raampje dromerig op. Hij ziet mij, en ik hoor hem denken: ‘Dít heb ik al eens eerder meegemaakt.’

 

Kalenberg/ Paasloo, 14 juli
Het land van Berk en Bloem

passanten 2 057Het moest een keer gebeuren en vanmiddag is het dan zover. Totaal niet wat ik had verwacht na Blokzijl: ik heb een ‘writer’s block’. Wanhopig probeer ik een citaat te vinden, een gedachte – ik krijg geen letter op papier.
En dat terwijl ik hier in Kalenberg op een houten bruggetje sta, vlakbij de woning van schrijfster Marjan Berk. Zal ik haar vragen of ze me wil helpen? Maar nee, schrijf jij je eigen stukje maar, passant! Aan de omgeving ligt het overigens niet. Veel groen en riet en water. Daar moet een gedicht in zitten, muggen die rijmen op bruggen…
De dames die mij in windjacks tegemoet lopen, wanneer ik Kalenberg uitrijd (langs weiden zilverkleurig in het zomerlicht, enz.) steken hun hand op. Onverdiend. Er moet eerst gewerkt worden. Of zal ik De Stentor bellen en om een andere opdracht vragen? Alleen, de batterij van mijn mobiel is even leeg als ik me voel.
Zou Paasloo soelaas bieden? Want daar ligt de dichter J.C. Bloem begraven. De dodenakker bij het boerenkerkje uit 1336 heeft in elk geval iets heel idyllisch. Meer een boomgaard met stenen. Die van Bloem en zijn echtgenote Clara Eggink springen meteen wit en vierkant in het oog. Verder heb je hier scherpe en spannende contrasten van licht en schaduw.
Op deze plek had het moeten lukken, zeg ik bij mezelf, als ik vlak voor mijn vertrek nog even naar het borstbeeld van de grote dichter staar en de bomen een seconde huiveren in een windvlaag. Maar misschien gaat het de volgende keer in Witte Paarden beter. Daar heb ik tenslotte al eens een roman over geschreven.

 

16 juli
Terug naar Witte Paarden

passanten 2 068Zoals Harry Mulisch in zijn novelle De sprong der paarden en de zoete zee het voormalig eiland Schokland van een eigen mythologie voorziet, zo probeer ik de naam van buurtschap Witte Paarden in mijn gelijknamige roman via een sprookje te verklaren. Het boek gaat over twee broers die jong komen te sterven maar terugkomen als de opstandige hengsten waar hun vader ooit over vertelde.
Van de geografie in het verhaal klopt verder weinig. De verteller vertrekt op een septemberavond per auto richting Ommen en ontwaakt in een motel onder Steenwijk, waarna hij bij De Woldberg verongelukt. Daarachter stroomt een onvindbare rivier…
Ik ben er zeker twintig jaar niet meer geweest en toch – ondanks alle verzinsels – herken ik vanmiddag rondtoerend precies het decor van mijn vertelling. Akkoord, ik steek twee viaducten over in plaats van één, nu ik bij Witte Paarden afsla richting Baars, en niet alles hier heet Witte Paarden, maar voor de rest tref ik er hetzelfde sprookjesachtige landschap, met glooiende kronkelwegen, toefjes bos en hier en daar een huis of boerderij.
Én witte paarden, die onverstoorbaar in een dal lopen te grazen. In de boerderij waarvoor ik even stop om op de kaart te kijken, hoor ik een baby huilen. Langzaam trek ik weer op. Villa De Woldberg, waar ik in de jaren tachtig dikwijls kwam, is er nog, half verborgen achter groen. Ik rijd door mijn eigen boek, door het mysterie van dit heuvelland dat op zichzelf een verhaal is. De paarden die ik op de terugweg nogmaals zie, weten er meer van, maar zij houden zich liever van de domme over hun geheime dubbelleven.

 

Steenwijk, 17 juli
Dit is echt

passanten 2 140Van Witte Paarden naar Steenwijk. Waarom ik in mijn boek deze stad Den Hoven heb genoemd, is me niet duidelijk. Waarschijnlijk wilde ik het sprookje niet verstoren met realistische verwijzingen. Rutger Kopland heeft daar minder last van. ‘O nachten in Steenwijk,’ dicht hij onomwonden na de dood van zijn vader, ’koeien loeien bij gunstige wind/ straten van stille klinkers/ om kleine grijze tuinen’.
Goed. Nu naar het ‘echte’, tastbare Steenwijk. Door een gat in de wolken valt een plas zonlicht in de kom waar de Sint Clemenskerk zijn ranke puntmuts fier uit op laat rijzen…
Ik was er al eerder geweest, maar opnieuw sta ik verbijsterd voor het groene hek van krullen en lianen. In trance betreed ik de oprijlaan voor het bestuurscentrum van Steenwijkerland, villa Rams Woerthe, hier even voor 1900 opgetrokken. Je kunt wel zien dat de Jugendstil altijd vormen uit de natuur poogde te imiteren. De voordeur houdt het midden tussen een grote houten bloem en een enorm sleutelgat. Daaromheen het front, asymmetrisch, maar toch ook weer met zichzelf in harmonie. Een klokkentorentje erbovenop, waar net twee heldere slagen in weerklinken.
Binnen lambriseringen, spiegels, vitrages, een staande klok en tuindeuren waarachter het perspectief vervluchtigt in het Engelse landschap buiten. Door de gebrandschilderde ramen strijkt een gefilterd licht over de trap. Mijn voeten zakken weg in het tapijt op de overloop waar ik eigenlijk niet mag komen (zo verzekert mij een beminnelijke bode).
Ja, dít is echt, houd ik mijzelf voor, als ik Rams Woerthe met de geur van pluche en hout nog in mijn neus verlaat. Mooier dan je het ooit in een roman of een gedicht kunt beschrijven.

 

Giethoorn, 18 juli
Misverstanden

GiethoornZoals de Seine in de verhalen van François Rabelais is ontstaan door een bovenmenselijke plas van een reus, zo was (dacht ik) Giethoorn er ooit gekomen dankzij een Germaanse god die uit een hoorn de omgeving rijkelijk had bevloeid.
Een misverstand. De naam Giethoorn verwijst naar geiten die hier vroeger graasden en hun hoorns die werden begraven in het veen. Hoorde ik laatst tijdens een rondvaart. De hoorn die in café Fanfare hangt heeft er al evenmin iets mee te maken maar knipoogt naar de film van Bert Haanstra waarin er hard op wordt geblazen.
Misverstand 2. Toen ik jaren geleden tijdens een zeiltocht Giethoorn naderde zag ik mezelf het dorp al binnenglijden over donkere grachtjes, met de mast neer, onder houten bruggen door. Dat bleek lastig te zijn. We meerden dus maar af aan de rand, een dertigtal meter vóór de benzinepomp. Het Giethoorn van Bert Haanstra hebben we niet bezocht, wel een discotheek langs de weg ernaartoe, waar niemand met ons wilde dansen. Met een spijker in ons hoofd derhalve snel in alle vroegte verder richting Vollenhove…
Giethoorn wordt ook wel met Venetië in verband gebracht, maar waar is dan de Piazza San Marco? Het Dogenpaleis? Ik kan dit alles hier vanochtend echt niet vinden. Wel een gedeukte sigarettenautomaat aan een gevel en natuurlijk het bekende netwerk van slootjes en grachtjes afgezoomd door wuivend riet. Het is nog vroeg en rustig. Een bescheiden fietsbelletje doet me een stap opzijzetten. Verder blijft alles voorlopig in slaap. Café Fanfare stil en donker. Venetië – derde misverstand. En toch neurie ik bij het zien van een paar lege punters heel even: ‘O Sole Mio.’

 

Vollenhove, 19 juli
Atlantis wederom

passanten 2 253Over Vollenhove ga ik vandaag een gedicht schrijven en dat noem ik ‘Atlantis wederom’. Daar ben ik wel aan toe na mijn Venetiaanse avontuur te Giethoorn en ik ben er nu toch. Ik sta op een balkonvormig plateau en bewonder ‘de baai’ van Vollenhove, waar pleziervaartuigjes stoïcijns voor anker liggen. In verband met Schokland had ik het al eerder over Atlantis en er is een onmiskenbare relatie tussen Schokland en dit vissersbolwerk dat destijds ook aan zee lag. Verder kwamen na de ontruiming van hun eiland vele Schokkers uitgerekend hier terecht – in  de ruïne van kasteel Toutenburg…
De zee zie je overigens nog in de groene vergezichten aan de overzijde van het water en Vollenhove kijkt er trots, net als Schokland, over uit. Daarachter herinnert ook een rijtje huizen met een café ‘Zeezicht’ genaamd aan andere dagen. Ik wandel er even naartoe en staar vanaf een robuuste walconstructie in een heel klein haventje. Het is alsof je blik er de diepte van de tijd wordt ingetrokken. De wind rukt aan mijn notitieboekje, maar er is geen ontkomen aan: het gedicht moet en zal er komen!
Na een wandeling over het Kerkplein met zijn oeroude gevels en het raadhuis met zijn Toscaanse zuilengalerij (het Dogenpaleis staat dus niet in Giethoorn maar hier…) terug naar de baai. Van de krijsende meeuwen boven mij heb ik geen last. Die maken de poëtische ervaring des te sterker: ‘Ik bevind mij op een groot balkon/ en denk: Atlantis wederom./ Voor wie zijn ogen sluit in Vollenhove/ komt er een oude wereld boven,/ een lang verdwenen en verzonken toen,/ maar je moet je ogen wel weer opendoen.’

 

Zwartsluis, 20 juli
Heimwee naar Afrika

ZwartsluisUit hotel Roskam stapt een man naar buiten met De Stentor onder zijn arm, aan wie ik vraag: ‘Hoe zou u Zwartsluis omschrijven?’ ‘Als een mix van culturen’, zegt hij prompt. ‘Omdat het van meet af aan een knooppunt aan het water is geweest. Kijk maar naar de Duitsers die hier altijd in het weekend komen. Goedemiddag.’
Een mix van culturen. Inderdaad, de Synagogestraat en de Kerkstraat liggen vlakbij elkaar en leveren zo het geografische bewijs van wat me net werd uitgelegd. Wat ook nog eens bekrachtigd wordt door het allegaartje aan boten in het Meppelerdiep, van statige tjalken tot verveloze kotters.
Nog wat dwalen door het centrum, gebakken visje eten op de hoek, dan slenteren naar de met gras begroeide pier in de jachthaven, waar ik tijdens mijn lang vervlogen zeiltocht een paar nachten mocht kamperen. Het is nu een heuse camping, met twee caravans tussen de bomen. Het bootvormige gebouwtje staat er nog maar kort, zo vertelt mij de joviale havenmeester met sigaar…
1982. Een snikhete zomer was het, nauwelijks wind. Mijn reisgenoot en ik hadden er weken over gedaan (zie ook mijn stukje over Giethoorn). In Afrika had ik niet verder van huis (Groningen) kunnen zijn dan hier in Zwartsluis. Die gedachte werd niet alleen gevoed door de duistere naam van de plek, maar ook door de vakantiehit Africa van Toto: ‘Hurry boy, it’s waiting there for you!’ Daar luisterde ik naar, ‘s avonds in mijn tentje – zonder het te weten eigenlijk al in contact met die zo eigen culturele mengelmoes. De wereld was groot in Zwartsluis en net als toen kost het mij vandaag moeite om er weg te gaan, zo besef ik wanneer ik weer naar de Stationsweg loop.