Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 2 Guests.

De passant I

eerste deel logboek PG van omzwervingen in de zomer van 2007, eerder gepubliceerd als columns in De Stentor

2 juli
Zwolle aan zee

openluchtbad

Hoe ziet het verloren paradijs eruit? Als Adam en Eva na de zondeval hand in hand de hof van Eden ontvluchten, is dit hun ervaring: ‘Zij keken om en zagen heel de oostkant/ Van ’t paradijs, pas nog hun blijde woonplaats;/ Daar zwaaide nu die vlammenkling, de poort/ Vol wapenvuur en bange droomgezichten.’ Dat schrijft de Engelse dichter John Milton in zijn vuistdikke gedicht Paradise Lost (1667) en zo kun je het zien. Veel vuur en angst. Voor mensen die iets hebben met hel en verdoemenis een aangename aanblik.
Zelf beschreef ik in mijn periode als stadsdichter het Openluchtbad Zwolle als volgt: ‘Geen beter beeld van het verloren paradijs/ dan dit in zichzelf kleumend lustoord/ met zijn loketten dichtgespijkerd naast de poort/ en op de bodems zelfs een laagje blad.’
Zo kun je het ook zien.
Door veel Zwollenaren wordt het Openluchtbad ervaren als een paradijsje, verloren en verkleumd na het seizoen, maar iedere zomer dankzij het onvolprezen broeikaseffect opnieuw veroverd en herwonnen. Je kunt ook rustig stellen dat het het mooiste zwembad is van Nederland, misschien wel van de hele wereld. Twee kleuterbadjes en twee uitgestrekte bassins, eentje met duikplanken voor plonzende kinderen en eentje voor diegenen die verplicht zijn aan hun leeftijd om dagelijks minimaal tien baantjes te trekken. Uitkijktorens en metershoge kinderstoelen van waaruit vrijwilligers hun waakzaam oog over de baden laten gaan. Een paar immer goed gehumeurde vaste krachten en in de schaduw bij een ligusterhaag altijd een viertal onverstoorbaar kaartende dames met eigen meubilair. Alles brandschoon en rustig dankzij een abonnementensysteem waar ongeleide projectielen vermoedelijk geen zin in hebben.
Maar misschien gaat de betiteling paradijs toch ietwat ver. En toch, als je die rijen kinderen ziet fietsen over het Herfterplein of door de Brederostraat, lachend, badtas op de rug, dan bekruipt je wel iets paradijselijks: Zwolle aan zee.

 

Zwolle/ Hattem, 3 juli
Veerman en Voerman

kleine veerIn de klassieke oudheid kon je niet begraven worden zonder een muntje op zak. Dat was bestemd voor een veerman genaamd Charon die je die over de rivier de Styx veilig naar het schimmenrijk bracht waar verder vermoedelijk alles gratis was. Wie een dergelijke oversteek ook eens wil meemaken en toch ’s avonds weer thuiskomen onder de levenden, is er naast een aantal andere pontjes over de IJssel ‘het kleine veer’, dat Zwolle – in de zomermaanden en tot ver in de herfst – met Hattem verbindt.
Het kleine veer. Een grootse ervaring.
Per fiets of te voet (andere mogelijkheden zijn er niet) verlaat je Zwolle even voorbij Ittersum, zeg maar ter hoogte van De Bierton, en na wat kronkelwegen door buurtschapjes waar de tijd ergens in het midden van de vorige eeuw is blijven steken, daal je de dijk af. De aanlegplek ligt half verscholen achter een moerassig bosje, met picknicktafels. Muntje (1 euro) niet vergeten, want dat hoort nu eenmaal bij het ritueel, hoewel de veerman duidelijk iemand is die niet gedreven wordt door winstbejag.
Zijn vaartuig is overigens meer een boot dan een pont en stoomt schuin de IJssel over naar de andere kant. Op dat moment begint de grootse ervaring: we worden overweldigd door het weidse IJssellandschap, de Hollandse luchten waar Ruysdael zijn vingers bij zou hebben afgelikt. Maar waar we het torentje van Hattem zien opdoemen, denken we hier natuurlijk meteen aan een andere schilder, gespecialiseerd in IJssellandschappen en bijbehorende wolkenluchten: Jan Voerman, van wiens werk momenteel een indrukwekkende keuze te zien is in het Zwolse Museum De Fundatie.
We steken dus over, luisterend naar een stampende motor en klotsend water, en zien wat Voerman zag. Een andere wereld waarin je via het water terechtkomt. Voorlopig nog geen schimmenrijk, maar een oud hanzestadje: Hattem, de poort naar de Veluwe, waar het leven gewoon doorgaat.

 

4 juli
Verkikkerd op Hattem

Hemelvaartsdag 2006 015Door de doos van Pandora die gorilla Bokito kortgeleden opentrok zou je haast vergeten dat de kikker dichter bij de mens staat dan de aap. Dat gegeven werd dus even overstemd door debatten over vrouwen en apen, de aap als beul, de aap als slachtoffer, de vrouw als slachtoffer, de vrouw als kwelgeest, noem maar op. Maar nu dan de kikker, een sprookjeswezen dat na een kus van een prinses verandert in een prins. In het oude Egypte was de kikker zelfs een heilig dier, vanzelf uit modder ontstaan en daardoor vertrouwd met geheimen van leven en schepping…
Hattem, waar de passant vanmiddag via ‘het kleine veer’ is aangekomen, is een sprookjesachtige omgeving. Het Anton Pieckmuseum is er gevestigd, maar eigenlijk is het hele stadje één groot openluchtmuseum dat ontworpen lijkt door Anton Pieck. Een wirwar van straatjes en pleintjes, een stadspoort, eeuwenoude bomen waarin je de tijd hoort ruisen, én: een stadsmuur.
We volgen die muur en dwalen algauw door een labyrint van bloemen, groen en steen. Behalve een oude dame met een wit poedeltje is er niemand te zien. Het lijkt een soort afgeleide van het domein van Doornroosje, maar dan zonder doorns en zonder schone slaapster.
Wel zie je in de Heemtuin een orkest van kikkers, die middenin een vijver klaar zitten om een muziekstuk ten beste te geven en – wie weet – om na een kus hun ware prinselijke gedaante te onthullen. Het zijn stenen dieren, maar beter en groter dan echte, want ze lijken op ons. Beeldhouwersgroep Beernink heeft zijn werk zo goed gedaan dat je ieder moment iets verwacht te horen. Aan de voet van een watervalletje slaat de kikker-dirigent de maat. Op het muurtje erachter een plaquette: Kikkers in concert, 100 jaar Christelijke muziekvereniging. In Hattem hebben ze het begrepen.

 

Heerde/ Hoorn, 5 juli
Vis niet geschikt voor consumptie

hoornWie kent niet de versregels ‘Denkend aan Holland/ zie ik brede rivieren/ traag door oneindig/ laagland gaan’ van Hendrik Marsman, waardoor in één klap het Nederlandse landschap zich in al zijn oneindigheid voor onze ogen aftekent? Niet het sterkste gedicht van Marsman, en al helemaal niet het sterkste gedicht uit onze literatuurgeschiedenis. Maar toch: bravo voor een trefzeker beeld van land, water en lucht waarmee de maker bepaald niet onder doet voor Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw.
Variërend op Marsman zou je ook kunnen zeggen: ‘Denkend aan Holland zie ik bescheiden kanalen kalm door verkaveld gebied gaan’. Zo’n kanaal loopt langs Hoorn bij Heerde, het Apeldoornse kanaal, waar op deze windstille morgen de zon en de lucht zich in spiegelen. Op de hoek achter het dorpje biedt een wit café-restaurant uitzicht op een oude hefbrug. Schuin daartegenover verrijst de voormalige fabriek van landbouwcoöperatie ‘Eendracht’. Langs de oevers van het kanaal ontluiken lelies in eendenkroos; even verderop worden dukdalven door struiken overwoekerd.
Een café, water, een brug, een fabriekje – hoe anders dan wat Marsman denkend aan Holland oproept en tegelijkertijd in al zijn kleinschaligheid typisch Nederlands, compleet met geluiden: futen en meerkoeten in het riet.
De andere kant van Coöp. ‘Eendracht’ ligt nu in de schaduw. Onder een overkapping zie je een paar houten deuren en een laadperronnetje waarachter het doodstil is, maar waar in vroeger dagen natuurlijk blijmoedig en uitbundig gewerkt werd.
Naast de brug steekt er uit het kroos tussen de leliebladen een bord dat ons meteen terugroept naar onze eigen tijd: Waterschap Veluwe, vis niet geschikt voor consumptie. Naast het fabriekje is een hengelsportwinkel gevestigd, en de sportvisser die net naar buiten komt en vriendelijk groet kan ons vermoedelijk wel uitleggen wat er mis is met de vis hier.

 

Elburg, 6 juli
De verdwenen schandpaal

elburgMeer dan tegenwoordig was de rechtspraak in voorgaande eeuwen gebaseerd op wraak, gruwelijke vergelding. Een en ander was in ieder geval niet bedoeld om boosdoeners van hun dwalingen te laten leren – anderen moesten daar (naast de bevrediging van hun hoogstpersoonlijk rechtsgevoel) maar van leren en drie keer nadenken alvorens zelf een misdaad te begaan. Een probaat middel om niet van je eigen maar van andermans fouten te leren was de schandpaal.
In Elburg stond er niet zo lang geleden nog eentje, en wel voor café-restaurant ’t Olde Regthuys. Eigenlijk geen paal, meer een houten schot, met gaten voor hoofd en handen van een misdadiger die werd uitgelachen en bekogeld met rottend fruit en rotte eieren. Alleen – zo bleek na onze tocht vanaf Heerde, langs levensgevaarlijke schietterreinen en neolithische grafheuvels – het ding staat er niet meer!
De twee betrekkelijk jonge serveersters van het etablissement wisten zelfs niet dat er ooit zoiets gestaan had, en trouwens: wat was dat, ‘een schandpaal’? Er trok een schaduw van achterdocht over hun gezicht.
Slenteren dus maar, langs het kleine grachtje dat wel eens het kleinste van Nederland zou kunnen zijn, een groot uitgevallen badkuip verzonken in eeuwenoude klinkers. De visboer op de brug wist duidelijk meer, maar bleef zwijgend en onverstoorbaar zijn Hollandse nieuwe schoonmaken. Gelukkig was een winkelier met een zaak ter hoogte van de muziektent wat spraakzamer. Er had inderdaad ooit een schandpaal gestaan, maar hij had hem al een tijd niet gezien. Waarschijnlijk opgeborgen. Hij werd vast nog wel eens buiten gezet. Maar goed, hij lette er eigenlijk niet zo op. Tja, nu het hem zo gevraagd werd…
Kortom, verdwenen. Alleen nog een gevelsteen: VICTRIX TRIVMPHET VERITAS – de waarheid zal zegevierend overwinnen. Wie weet. Maar dan liever zonder schandpaal die ons voorliegt over onze eigen voorbeeldige gedrag.

 

Swifterbant, 7 juli
Archeologie in een naam

swifterbantLang nadat in verval geraakte beschavingen zijn verdwenen, nadat stratenplannen zijn uitgewist, kerken en vestingen als zandkastelen zijn opgelost in golven, zijn er altijd nog de namen van de plaatsen die de geschiedenis in zich blijven dragen als een kostbaar goed. Twee voorbeelden: Nice in Zuid-Frankrijk naar de Griekse overwinningsgodin Niké en Maastricht in ons eigen Zuiden, gewoon de verbastering van het latijns/romeinse Mosam Trajectam, route over de Maas.
Vanmiddag, in de bitterzoete geur van pasgemaaide bermen, van Elburg naar Swifterbant, een plaats in Flevoland die pas begin jaren zestig van de vorige eeuw werd opgeleverd. Lange wegen met af en toe een flauwe bocht, waarlangs metershoge hagen populieren deze zomer zachtjes staan te wiegen, leiden erheen. Aan weerszijden strekken zich onmetelijke vlaktes uit: aardappelvelden als gigantische matrassen. Swif-Ter-Bant – fascinerende klanken. Wat zou daar de archeologie van kunnen zijn?
Het dorp zelf geeft daar geen antwoord op. Onder onweerswolken rijden we stapvoets een forenzenplaats in de polder binnen. Als de eerste druppels vallen, vlucht een echtpaar in korte broek bakkerij Tietema in. Het zal hier aangenaam wonen en slapen zijn, maar het zal geen aanleiding geven tot chauvinisme in de trant van: kom niet aan Swifterbant…
In het stratenplan kun je een vis te herkennen en het plaveisel bevat in visgraatmotief gelegde klinkers, maar dat is niet genoeg, deze herinnering aan een vroegere zee.
Naspeuringen leren dat Swifterbant ‘linkeroever’ zou kunnen betekenen, naar een prehistorische nederzetting. Een oever – middenin zee? zo vraag je je dan af. Of is de naam een overblijfsel van het lang vervlogen Friese leven op de boorden van het Flevomeer? Maar je kunt ook inzetten op de toekomst en in gedachten bij Swifterbant een linkeroever aanbrengen, langs een nieuw meer, of een zee die vast nog wel eens terug zal komen.

 

Ketelhaven, 9 juli
Het einde van de wereld

ketelhavenLang heeft men gedacht dat de aarde zo plat was als een pannenkoek, met een rand waar je vanaf kon vallen. Pas in de zestiende eeuw, toen de eerste schepen om onze planeet zeilden, werd aangenomen dat er sprake van een bol was. Daarna, dankzij geleerden als Copernicus en Galilei, ontstond er nog een beter beeld van een en ander.
Vanmorgen in Ketelhaven kan álles worden teruggedraaid. De boel is opnieuw volledig plat. De passant zit hier op een glazen terras en weet zeker dat de rand waar je van de aarde af kunt vallen vlakbij is. Het meer baadt in een dusdanige heiigheid dat er geen horizon meer te zien is. Een kruisertje glijdt voorbij en lost eenvoudig op. De landtong links wordt half aan het oog onttrokken, daarachter is de Ketelbrug onzichtbaar. Rechts in de verte de bovenmenselijke punten van een machtig zeil, waarschijnlijk ook een brug – de ober kan niet zeggen welke, maar wat wil je in zo’n witte wereld, waar de stilte alleen maar af en toe verstoord wordt door het piepje van een meeuw?
Terecht heet het paviljoen hier ‘Lands End’, en het zou in de Middeleeuwen iedere gedachte omtrent een platte wereld met een gevaarlijke rand bevestigd hebben.
Het droomachtige wordt versterkt door een intense verlatenheid. Het lijkt of de licht schommelende masten in het door berenklauwen omgorde jachthaventje naast de weg hierheen hun eigen ingekeerde leven hebben. Verder maar, de polder in, waar de aarde weer rond is omdat de zon doorbreekt en alle horizonnen baden in een helder licht. Maar het was wel goed toeven, hier aan het einde van de wereld.

 

Schokland, 10 juli
Atlantis in de polder

schoklandDe oude Grieken geloofden dat onze beschaving was voortgekomen uit Atlantis, het verzonken continent – en geef ze eens ongelijk, die Grieken. Tot nu toe staat het tegendeel niet vast, en schitterende boeken, zoals Terugkeer naar Atlantis van Hubert Lampo, doen vermoeden dat er ergens ooit iets terug te vinden is.
Voor Harry Mulisch, zo blijkt uit zijn verhaal De sprong der paarden en de zoete zee, is Schokland Atlantis. Hij voorziet het eiland in ieder geval van een eigen Germaanse mythologie die dateert van vóór de tijd waarin christelijke vissers zich er vestigden. Na allerlei tegenslagen werd Schokland in het midden van de negentiende eeuw ontruimd, waarna een deel ervan verzwolgen werd door de golven. Nu staat er een museum, dwz. een kerkje, wat vissershuisjes en een terras gelegen op een woonterp ‘De Middelbuurt’ geheten, waar zich vanmiddag een klein reisgezelschap aan appeltaart tegoed doet.
Wie er in de middagzon rondslentert, komt snel in sferen van vroeger terecht. Je hoort de Zuiderzee zacht ruisen in de bomen van De Middelbuurt, en bij de deur van het kerkje al snuif je de adem van oude zondagen op. Net als in Griekenland zijn er ook nog stenen resten, de verbrokkelde randen van wateropslagplaatsen en een enkele put. De robuuste zeewering aan de zijkant is nagemaakt, maar toch voel je de dreiging van natuurgeweld.
In het torentje slaat de klok één keer, waarschijnlijk het halve uur. Verder alleen gerinkel van lepeltjes bij kopjes. Een zomernamiddag in 2007. Desondanks kijk je hier recht in het hart van een verleden dat onder de weiden ligt begraven en door de goden boven Schokland wordt gekoesterd en bewaakt.