Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 1 Guest.

Nieuws

Zondagavondbuurt

tussen-winter-en-lente-2007-004

Zondagavond ergens tussen november en februari…

In Zondagavondbuurt, mijn eerste bundel korte verhalen, laat ik mijzelf van verschillende kanten zien. Ieder verhaal biedt een blik in het leven van soms vreemde eenden in de bijt.

Van leraren die wel erg intiem zijn met hun leerlingen tot gewelddadige buschauffeurs, van een schimmige fantast die zijn omgeving jarenlang een rad voor ogen draait tot een wellustige tante die haar jonge neefje het bed in lokt, van een middeleeuwse monnik tot een Poolse menseneter en vele anderen.
Een belangrijk deel van deze bundel is doordrenkt van een aan mijn eerdere werk verwante dromerige, melancholieke sfeer, waarin de humor niet geschuwd wordt. Tevens heb ik een paar verhalen geschreven met sprookjesachtige dan wel absurdistische trekjes.
Hopelijk valt bij het lezen net zoveel plezier te beleven als ik bij het schrijven heb gehad.

Verschijnt mei 2017 bij uitgeverij Passage

Zo begint het verhaal De scherprechter:

De Caspar Fagelstraat is een kleurloze zijstraat in een niet minder kleurloze buurt. Ooit hoopvolle nieuwbouw uit verre, naoorlogse jaren, gezinswoningen waar twee, drie generaties in hebben gezeten. De meeste eerste bewoners allang weg, dood of verhuisd.
Je kunt je een beeld vormen van hun levens als je een eindje teruggaat in de tijd. Van broodmagere wederopbouwjaren tot de opkomst van de televisie, van eerst lieve, later veel te mondige kinderen tot een pensioentje, een AOW, een arbeidsongeschiktheid.
Echt een straat om op een zondagavond doorheen te dwalen, bijvoorbeeld na een scheiding, en te verlangen naar de gezelligheid van een gezin bij het flakkeren van een beeldscherm, pa met zijn voeten op de salontafel, ma met gekruiste armen en bittere lippen naast hem, een of twee onderuitgezakte pubers.
Na de dood van mijn ouders, gevolgd door de breuk met mijn vriendin, heb ik zo’n periode gekend. Naar binnen kijken en verlangen naar een gedeelde treurigheid, die mij toch beter leek dan niets. Ja, zwerven door wat ik een zondagavondbuurt noemde, door motregen in lantaarnlicht dat net zo goed niet had kunnen branden. Nooit gedacht tijdens de jaren met Maryse en Margootje dat ik nog eens terug zou keren naar de Caspar Fagelstraat, maar Leenders woont er, op nummer 6.
Laat er geen misverstand over bestaan: Leenders en ik zijn geen vrienden en zullen dat ook nooit worden. Zeker na mijn laatste bezoekje niet meer.  Gisteravond – het kon geen toeval zijn dat ik een zondagavond uitgekozen had – belde ik omstreeks tien uur bij hem aan. Na wat gestommel verscheen zijn silhouet in het glas van de voordeur die hij van het nachtslot moest halen.
Daar stond hij in zijn joggingbroek, op pantoffels uit betere tijden: vrouw, kind, ’s ochtends met een pakje brood naar een groothandel in surfplanken…
Hij keek tegelijk dwars door me heen en naast me.
‘Jij weer?’                       
‘Mag ik binnenkomen?’
‘Moet maar. Kan moeilijk nee zeggen.’
Hij slofte voor mij uit door het halletje naar de huiskamer. Gebaarde mij op de bank te gaan zitten en plofte zelf neer in een leunstoel. Richtte zijn afstandsbediening op een plat televisiescherm dat uitfloepte. Rondom de poten van zijn stoel lege bierblikken van een halve liter, kartonnen schaaltjes met aangevreten hamburgers en uitgedrukte peuken. Hij stak een sigaret op, waarna hij een nieuwe halve liter liet openspringen.
‘Vind je niet dat je veel drinkt voor iemand die nooit, nee nooit meer één druppel  zou drinken, Leenders?’
‘Kom je me dát inpeperen? Had je beter thuis kunnen blijven.’
‘Ik kom je helemaal niets inpeperen.’
‘Dat doe je wel. We zouden elkaar één keer ontmoeten en daarmee basta, was de afspraak, met, hoe heet die pief? Boers of zo.’
‘Broersen.’
‘Kan het schelen. Je zou me met rust laten, maar je hebt er schijt aan.’
‘Dat is niet waar.’
‘Man, dit is de derde of vierde maal al. Wat wou je nou nog?’
‘Met je praten.’
‘Praten, praten. Denk je dat je iets opschiet met dat gelul van je? Denk je dat ik er iets mee opschiet? Het zou toch zo langzaamaan genoeg moeten zijn, joh; ben alles kwijt, mijn baan, mijn BMW – álles!’
‘O, en dat is mijn schuld?’
Geen antwoord. Draaien en heen en weer schuiven. Hij nam een slok bier, bolde zijn wangen voor een boer. Hij trok zo lang aan zijn sigaret dat er aan de punt een asrups ontstond die op zijn joggingbroek viel.
We zaten in het schijnsel van het enige lichtpunt in de kamer, een tl-balkje dat aan het plafond boven hem bungelde. Hij zag er beroerd uit. Haar in slierten over zijn schedel, vlekken op zijn wangen, zijn ogen waterig en roodomrand als na een huilbui, maar daarmee zou ik hem te veel eer geven.
‘Heb je misschien een glas water voor me, Leenders?’
‘Pak zelf maar. Als je tenminste een glas kan vinden.’
Ik sloot mijn ogen. Dacht: nu is alles mislukt, wat misschien maar beter is ook. Kan ik zo naar huis, is er morgen weer een dag, een volgende week met wie weet, een andere, open toekomst.
Maar hij hees zich overeind. ‘Laat maar. Moet toch pissen.’
Dat laatste kostte hem moeite. Ik hoorde hem op de wc in het halletje onderaan de trap kreunen en steunen. Tijd genoeg om het poeder in zijn bier te laten glijden, en dat wat ik er in mijn zenuwen naast had gegooid weg te vegen.
Met op de achtergrond het geraas en gebonk van de stortbak kwam hij de kamer weer binnen. Zonder glas water.  ‘Nou, had je nog iets wat ik niet wist?’ bromde hij terwijl hij zich opnieuw in zijn zetel liet zakken. ‘Anders ga ik zo pitten.’
‘Misschien kunnen we samen een beetje tv kijken,’ stelde ik voor.
‘Zeg, ben jij wel goed snik?’
‘Alleen is maar alleen, Leenders.’
‘Die is gek, zeg,’ mompelde hij maar richtte toch zijn afstandsbediening op het scherm. Zwijgend volgden we de tweede helft van een voetbalwedstrijd. Ik hoorde hem zijn bier wegklokken, boeren, zuchten. Daarna de ademhaling van een slaper zwoegend in zijn roes. Combinatie van bier en barbituraten. Zijn kin was op zijn borst gezakt, met een draad speeksel uit zijn mondhoek, tot op zijn spencer. Zijn peuk smeulde op zijn broek, naast een biervlek.
Een en al dood gewicht, maar het lukte me toch om hem vanuit zijn stoel op het vloerkleed te rollen, waar ik hem knevelde. Handen op de rug. Dubbele lagen tape om zijn polsen en zijn enkels. Ik plakte er ook zijn mond mee af. Daar lag hij dan, het midden houdend tussen een zeemeermin en een bedorven worst. Het wachten was op het moment dat hij wakker zou worden. Ondertussen speelde ik met mijn pistool, liet het wervelen om mijn vinger, snoof de geur van smeerolie op.

PG