Zwolle huilt

Ingrijpende gebeurtenissen – een sterfgeval, een ongeluk, een ramp – brengen altijd een soort vervreemding met zich mee die doet denken aan een droom. Het is niet echt, knijp me, zeg je dan bij iets dat te verpletterend is om waar te zijn. De verwoestende brand in De Tagrijn gisteravond is zo’n gebeurtenis. Mijn dochters berichtten me er per WhatsApp over, net toen ik voor een detectiveserie op Netflix languit op mijn zitbank was gaan liggen. Ook weer zoiets. Iedereen herinnert zich altijd haarscherp waar hij was en wat hij deed bij het vernemen van dergelijke rampspoed.

Onmiddellijk gingen mijn gedachten uit naar kastelein Fedde Bakker, die het café aan de gracht in Zwolle de afgelopen jaren een nieuwe ziel en adem heeft gegeven; alles tot en met het kleinste borrelglaasje kreeg er weer glans. Fedde was en is in die zin een waardige opvolger van Theo Dragt, twaalf jaar geleden gestorven. Een voortreffelijke gastheer – net als Theo – die zonder dat je hoeft te bestellen meteen je favoriete drankje met een knipoog voor je neerzet. En net als je destijds naar Theo ging, ging je nu naar Fedde, een gang waar gisteravond abrupt, in een vlammenzee, even een einde aan gekomen is. Hopelijk niet voorgoed, want zonder De Tagrijn is Zwolle Zwolle niet. 
Omdat het gedicht dat ik veertien jaar geleden schreef ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van De Tagrijn mijn gevoelens voor het café (waar niets aan veranderd is) beter weergeeft dan er momenteel zo gauw in zit, plaats ik het hieronder. Het is en blijft geschreven voor en opgedragen aan Theo en Liddy Dragt, maar laat het voor deze gelegenheid ook een klein begin van troost zijn voor Fedde en zijn gezin. Hopelijk komen ze dit alles snel te boven en wordt het café zoals beschreven in het gedicht niet minder snel in zijn oude glorie hersteld. Tot die tijd huilt Zwolle. 

ODE AAN DE TAGRIJN

Wat mooi is het café op zo’n novemberdag
achter een grauwe miezer op de kade.
Het ligt dan weer in vroeger tijd te baden;
je droomt van wat je er nooit eerder zag.

Een opslagplaats voor touwen en voor roeren
dag en nacht in rag en duisternis gehuld,
of een bordeel avond aan avond weer gevuld
met zoekende meneren, rijke boeren.

Dan haal je adem, staat weer in het heden.
Je treedt binnen door het loodzware gordijn
en wordt begroet door onze kastelein
met saxofoonmuziek van lang geleden.

Nog mooier is het uur van het aperitief,
laat in de middag als het hout zacht glanst
en in de lage zon het stof een beetje danst,
een goudomrand moment – je hebt het lief.

En diep in de nacht uitvoerig in gesprek
met een onbekende naast je op een kruk
bedwelmt je in zwak lamplicht het geluk
van sigaar, cognac en de volmaakte plek.

Maar op zijn allermooist is het café algauw
wanneer een rhythm & blues vol zielenpijn
zich mengt met de begroeting van de kastelein
en met de gulle glimlach van zijn vrouw.

PG

 

 

Presentatie Pandora

Op 14 mei jl. heeft dan de presentatie van Steden van Pandora plaatsgevonden bij Uitgeverij Passage in Groningen. Een unicum! Vanwege de omstandigheden waren alleen aanwezig: mijn echtgenote Erna, uitgever Anton Scheepstra en Joppe van der Spoel. Deze laatste was zo aardig de gebeurtenis met signeersessie en al vast te leggen op film. Welkom dus op de presentatie van mijn nieuwe boek! (En ook ín het boek.)

Steden van Pandora

Omslag Ruurd de Boer

En toen was er weer een nieuw boek, een mens zit niet stil. Dit keer een bundeling van drie vertellingen – de facto kleine romans – samengebracht onder de titel: Steden van Pandora.

Elk verhaalt speelt in een stad waar kleinere of grotere rampen uit de doos van Pandora kruipen. In Manchester wordt een moord gepleegd in het Vechtdal en – mede door toedoen van een hijgerige misdaadverslaggever – opgelost in Manchester. Tevens is het een liefdesgeschiedenis tussen twee gewonde zielen die elkaar door een nauwelijks te bevatten samenloop van omstandigheden tegen het lijf lopen en samen een nieuw evenwicht vinden.

Het tweede verhaal, Helen, neemt ons mee naar de Groningse nieuwbouwwijk Beijum en vertelt van een bijzondere vriendschap tussen een man en een vrouw (Helen) die verliefd is op de liefde, maar niet op hem; de vriendschap tussen hen voert de boventoon. Of die vriendschap bestand is tegen de erosie van de tijd blijft evenwel de vraag. Daarnaast beschrijftt deze novelle het rusteloze gelukszoeken van babyboomers en andere dolende dertigers in de jaren tachtig.

In het slotverhaal Een vlakte in de stad heb ik herinneringen geboekstaafd aan Enschede, waar ik zeven jaar woonde. Een belangrijke laag in deze vertelling wordt gevormd door de vuurwerkramp van mei 2000 en Het Roombeek, het gebied – de vlakte – waar deze ramp zich destijds heeft voltrokken. Al dan niet weggevaagde straten in heden en verleden heb ik zo proberen op te roepen dat de lezer, zelfs als hij de stad niet kent, moeiteloos met mij mee kan wandelen. 

Verschenen in mei 2020. Als gevolg van de coronacrisis konden de geplande feestelijkheden niet doorgaan, maar zal online heeft er het nodige plaatsgevonden. Zie filmpje onder.  

PG

 

Boekenbalgedicht

Later vieren denk ik de boeken
zelf feest, wervelen op het toneel
of staan te lezen in elkaar.

Op kousenvoeten terug naar het
theater, dat nagonst als een
schrijvershoofd. Daar inderdaad

gezien hoe zijzelf dansten, dansten,
tot de slaap kwam met de dag –
ochtend op een eenzaam plein.

Binnen alle pluche nu dof;
blijft alleen hun glans
als wij er niet meer zijn.

PG

Het koekoekskuiken van Minerva, met een speciaal gastoptreden tijdens de opening van het bal…

Mee naar het boekenbal

Omslagontwerp – en foto! – Ruurd de Boer

Dit is de geschiedenis van Milan Hartwich, een niet al te succesvolle schrijver-journalist, die op een regenachtige vrijdagavond zonder bepaald doel over het Leidseplein zwerft. Daar ontmoet hij heel toevallig Nederlands populairste talkshowhost Myra Melchior die in een opwelling besluit om Milan mee te nemen naar het boekenbal. Het lijkt echter of ze daar meteen spijt van heeft, want al tijdens de openingsspektakel moet hij ergens anders zitten…


‘Een paar meter voor de ingang van de schouwburg liet ze me plotseling los en versnelde haar pas. Camera’s snorden, klikten. Microfoons duwde ze opzij. Niet onvriendelijk: haar lachje bleef. ‘Nee jongens, echt niet, leuk geprobeerd, maar jullie weten toch dat ik dit alleen op afspraak doe.’’ (p. 63)

De voorstelling was grensverleggend en literair bedoeld. Een divan op het podium met een naakte man vadsig liggend op zijn zij. Tijl Kramer had deze eens omschreven als ‘wandelend overgewicht met levend hoofdonrein’.
  Lang haar drapeerde zijn schouders, een snor halveerde zijn pafferige trekken. Een buikplooi hing over zijn geslacht. Dat laatste stond hem niet aan; hij trok de plooi – meer een groot uitgevallen oorlel – wat omhoog, ging draaiend met zijn bovenlichaam verliggen, waarna er een paarsblauw stompje zichtbaar werd.
  Toen hij over een scheef brilletje de zaal in blikte, barstte er applaus los.
  ‘Ik ben de potentaat van de idyllen,’ galmde hij vervolgens. ‘Goede lieden, dempt toch uw gelal en luistert naar mijn godenbral. Hedenavond weliswaar te kort, wat niet wil zeggen dat het nu een haiku wordt…’
  Het vervolg werd overstemd door hernieuwd geklap en aanzwellende harpmuziek, maar ik luisterde al niet meer. Ik probeerde in het donker Myra in beeld te krijgen, haar hals, om die in gedachten te kussen, wat niet lukte. Ik zag alleen een massa hoofden, basaltblokken, zachtjes deinend op de woorden en de klanken die samenvloeiden op het toneel.   
  ‘En heb ik eenmaal afgerekend met het brekend, brekend licht van stille dansers in hun dichtersjasje, dan staat toch buiten kijf dat de retor in dit goddelijke lijf…’

De potentaat van de idyllen…

Ondanks alle applaus werd niet iedereen bekoord door deze voordracht. Uit het basalt in de rijen voor de mijne maakten zich gestalten los die door een zijdeur verdwenen. Ook ik hield het voor gezien en hinkelde langs geïrriteerd ingetrokken benen naar het zijpad.
   In de zalen waar een bar stond was het rustig. Ik bestelde een flesje bier en vroeg me af of ik nog de gelegenheid zou krijgen Myra een glas wijn aan te bieden.

Die gelegenheid kreeg ik, al raakte ik haar snel weer kwijt in het gedrang. Maar een uur later wilde ze zowaar een dansje met me maken omdat het op dat moment – er werd een woest en oud nummer van Supertramp gespeeld – toch niet duidelijk was wie daar in die golvende kluwen met zijn hoofd stond te schudden en met zijn handen te wapperen.
Wel keek Myra steeds wat schichtig om zich heen en hield me verder goed op afstand. Ze danste met gesloten ogen. Even geen ijsblauw achter haar bril. Bij vluchtige, onopzettelijke aanrakingen sidderden we allebei. Ten slotte maakte ze een wuivende beweging naar me. ‘Hé, we zien elkaar nog wel.’
Een totale vervreemding maakte zich van me meester toen ik daarna weer door de wandelgangen dwaalde. Gezichten van BN’ers, onwerkelijk als carnavalsmaskers. Een dronken actrice, wijdbeens op de grond met een plasje braaksel tussen haar dijen. Een maffia-advocaat en een sexclubeigenaar probeerden haar overeind te helpen, maar ze sloeg van zich af.
Een beter bewijs dat de Olympus was verworden tot een bavianenrots bestond niet – de goden waren opgehoepeld en vervangen door trollen. Hoe stond Myra daartegenover? Had ik misschien een vriendin aan haar? Steeds had ik gemeend in haar ooghoeken iets samenzweerderigs te zien…
Duizelig trok ik van foyer naar foyer. In een daarvan, een ruimte met palmbomen aan weerszijden van de metershoge ramen of balkondeuren, stond een podium waarop Yiltan Irmak een performance ten beste gaf.
Yil uitgedost als derwisj, zijn rokje als een klokbloem om zijn heupen, razendsnel tollend om zijn as op het Canto Ostinato van Simeon ten Holt, dat eindeloos timmeren en dreunen van tegen elkaar opbiedende piano’s. Alleen al van het kijken naar de als dans bedoelde werveling werd je zeeziek. Maar Yil verkeerde in een gelukzalige trance. Hij was al dolblij met zijn kaartje voor het bal, zo had hij gejubeld in zijn laatste column, en nu dit weer, deze kans…

Seculier imam, klaroencolumnist, en boekenbal-derwisj Yiltan Irmak alias ‘Yil’, ontdekking en oogappel van Lennard Bertram…

Veel belangstelling was er niet voor. De foyers met bar puilden uit; deze niet. Lennard Bertram stond voor het podium te klappen en Yil aan te moedigen. Voor de gelegenheid bedekte een breedgerande leren hoed zijn jongenskrullen. Naast hem de directrice van de Hermitage Amsterdam die met een spiegeltje voor haar neus haar lippen aan het stiften was en verder nergens oog voor had.
  ‘Hij kan het, hij kan het echt, hè, die jongen,’ knikte Bertram als een trotse vader om zich heen maar keek snel een andere kant uit toen hij mij daar bij de deur zag staan. Nerveus kneep hij zichzelf in de nek. Vervolgens klapte hij weer om het hardst.

Lennard Bertram, hoofdredacteur van LD-De Klaroen…

Tussen de palmen een groepje Senegalezen in lila japonnen die ook meeklapten. Achterin een hoek nog een paar feestgangers met Venetiaanse snavelmaskers en driekante steken, gehuld in gewaden tot aan de grond, wiegend als rietpluimen in de wind en meeneuriënd met de onvermoeibaar hamerende vleugels: pompompompom pompompompompom. En Yil maar draaien, draaien in zijn witte rokje. Ik knipperde met mijn ogen, moest me aan een houten pilaster vasthouden. Volksdansatelier, las ik achteroverleunend op een bord boven de deurstijl. Toen hervond ik mijn evenwicht. Waar was Myra? Was er trouwens wel een Myra? Leed ik misschien aan zinsbegoochelingen? Te veel whisky, te vaak, te lang op mezelf aangewezen.
  Met een lichte pijn in mijn borst trok ik me terug op de bovenste overloop waar het stil was en je in doorgezakte banken kon zitten. Daar raakte ik in gesprek met een aangeschoten maar beminnelijke feestganger die ik een paar jaar jonger schatte dan mezelf en die bij Drapeau al drie romans had gepubliceerd. Verder net als ik volslagen onbekend. Zijn jongste boek geweigerd.
‘Mee jij. Zo meteen, fontein Américain,’ hoorde ik iemand sissen. Myra. Ik wilde nog wat zeggen, maar ze was alweer weg. Haar zilveren gedaante vervluchtigd. Ik hees me overeind en schudde de hand van mijn verbaasde gespreksgenoot. Verbaasd was ik zelf ook: hoe had ze me daar gevonden?     

‘O, aan Lennard gevraagd,’ zei ze losjes toen we elkaar tien minuten later troffen bij het waterbekken voor Américain. ‘Die had je naar boven zien gaan.’ Aan Lennard gevraagd
Ik vroeg me af of dit goed of slecht was voor mijn positie bij De Klaroen. Voorlopig hield ik het bij goed, er was hoop: niet iedereen werd op het boekenbal gezocht door Myra Melchior.Onze ontmoeting leek op een sigarettenreclame uit de vorige eeuw. Stad bij nacht. Een zwart-wit foto van een grande dame in een nerts, bevallig leunend tegen een straatlantaarn naast een fontein. Ze houdt een sigaret omhoog terwijl een man haar nadert met een vuurtje. Ik bedacht dat ik maar het beste van achteren, als silhouet, kon worden gefotografeerd, want ik was een wandelende stijlbreuk in mijn vliegeniersjack en spijkerbroek.

Ze rook die avond naar Carnet de bal…

De betovering werd verbroken doordat vlakbij iemand overdadig over zijn nek ging. Hij had de prullenbak op de rand van het trottoir niet gehaald en stond er, dubbelgeklapt, handen op de knieën, naast te kotsen. De dichter uit het openingsspektakel, gehuld in een astrakan pelsjas. Oerkreten uit zijn binnenste. Slierten slijm en braaksel in het lange haar dat steeds voor het brilletje op zijn neus woei. Er dreef een wolk maagzuur onze kant uit.
  ‘Hé, Lo, gaat dat wel goed?’ riep Myra terwijl ze haar sigaret in de fontein gooide. ‘Zal ik een taxi laten komen?’
  Lodderig keek hij opzij. ‘Nee hoor, gaat best, as’t-maar-geen-haiku-wordt.’
 ‘Weet je het zeker, Lo?’ 
 ‘Bis en baarachtig, Mwier,’ kwam er vlak voor een nieuwe golf uit. Hij zakte op een knie, greep zich vast aan de onderkant van de prullenbak, slingerde zijn besmeurde manen achterover en liet twee langgerekte, lurkende boeren horen, waarbij een grauwe brij uit zijn mondhoeken over zijn kin droop en een sjerp vormde op zijn zwarte schapenvel. 
  ‘Weet je het echt zeker, Lo?’ hield Myra aan.
  ‘Lamaar, lamaar,’ wist de dichter nog uit te stoten. ‘De kotsibus non est disputandum!
  ‘Oké, zelf weten, Lo. We bellen!’
  Met een laatste restje mededogen wees ik naar de taxistandplaats. ‘Moeten we misschien toch niet…’
  ‘Nee man, is geen kruid tegen gewassen. En bij nader inzien: welke chauffeur wil hem hebben? Hij is daar ook nog wel even bezig met wat-ie vanavond allemaal… Maar kom op, we gaan naar binnen. Veel te koud hierbuiten, brr.’
  Er kwam inderdaad een snijdende vleug uit het gebruis in het bassin. Myra dook weg in haar kraag en voerde me aan mijn elleboog mee naar de ingang van het hotel.

(PG)

Nieuwe roman

Omslagontwerp – en foto! – Ruurd de Boer

Niet stilgezeten sinds de publicatie vorig jaar van mijn verhalenbundel Zondagavondbuurt maar hard gewerkt aan een nieuwe roman, getiteld De wereld als leugen, die komende herfst bij uitgeverij Passage het licht zal zien.
Het boek kent verschillende lagen.

Allereerst is het de geschiedenis van Milan Hartwich, een niet al te succesvolle schrijver-journalist, die per ongeluk met Nederlands populairste talkshowpresentatrice Myra Melchior een romance op en na het boekenbal beleeft. Omdat zij daarna iets heeft uit te leggen aan de roddelpers besluit ze hem maar tot haar biograaf te bombarderen. Volgt een spel van aanhalen en afstoten en uiteindelijk een wonderlijke biografie die Myra’s woede wekt en Milan zelfs op niet mis te verstane bedreigingen komt te staan. Hij beseft dat er in zijn geval geen scheidslijn meer loopt tussen bovenwereld en onderwereld en dat hij een passend antwoord moet zien te vinden op zijn netelige situatie.
Daarnaast is deze roman een satire op het opportunisme van redacties van kranten en talkshows en op de vervlakking en verplatting van de letteren als gevolg van mediabemoeienis. Met name schrijver Tijl Kramer, collega-columnist en kroegmakker van Milan, stelt deze verschijnselen vlijmscherp aan de kaak. Tijl is een soort grote broer, een mentor, die Milan geregeld aan het denken zet en hem ook probeert te behoeden voor het wespennest waarin Milan zich heeft gestoken door zich met iemand als Myra Melchior in te laten.
Een derde laag bestaat uit een sprookje dat, zoals wel vaker onder mijn pen gebeurt, een geheimzinnig eigen leven gaat leiden…

Het nu volgende fragment beschrijft de niet al te briljante woonomstandigheden van Milan Hartwich:

Groot en ruim had ik voor mijn verhuizing ook niet gewoond. Een gemeubileerde kamer in Amsterdam-Zuid op de vijfde verdieping van een huizenblok aan de Rooseveltlaan. Ik zat daar goed aan die langs een liniaal getrokken avenue, vol tram- en ander verkeer, geflankeerd door populieren, maar ik had een huurachterstand van twee maanden en kon elk moment met geweld op straat worden gezet.
Dus vulde ik die ochtend in juni een schoudertas en een rolkoffer met kleren en boeken, keek nog even om me heen of ik niets had vergeten en liet de deur achter me dichtvallen. Aanvankelijk verkeerde ik in een vakantiestemming. Een stralende dag. In de Maasstraat rook het naar versgebakken brood. De stad zou de hitte lang vasthouden. Vond ik zo gauw geen onderdak, dan kon ik vannacht best onder een struik op het Merwedeplein slapen of in het Beatrixpark.
Maar in plaats daarvan stapte ik bij station RAI in een streekbus naar Polderveld.  Daar woonde Harmen, een oud-studiegenoot van de School voor Journalistiek. Ik had hem gebeld en mijn probleem uitgelegd. Ik moest maar naar hem toe komen. Hij zou me wel helpen bij het zoeken naar een woning.
De volgende morgen reden we in zijn auto door de omgeving en bezochten een paar huurwoningen. De meeste daarvan waren te ver van de bewoonde wereld of te duur, maar net aan de rand van het dorp wist mijn vriend een paar pandjes waarvan er een vrij was. Hij kende de eigenaar die het ongetwijfeld voor een krats zou verhuren, zo zei hij losjes trommelend op het stuur. Het zou wel tijdelijk zijn want het stond op de nominatie om te worden gesloopt, wat ik bij de eerste aanblik vast wel zou begrijpen.
De eigenaar, een man met een wijnvlek in zijn hals, zat hikkend in gezelschap van een paar jongens in overalls te pokeren bij een pompstation en trok nadat ik aan hem was voorgesteld meteen een sleutel van een bos. Ik bood aan een borgsom te betalen (al wist ik niet waarvan), maar dat wapperde hij weg, iets mompelend over de vrienden van mijn vriend die zijn vrienden waren. Hij vertelde nog over een loods op het achtererf. Die verhuurde hij aan een paar bollenkwekers. Kwamen meestal ’s nachts. Moest ik me maar niets van aantrekken.
We reden het dorp weer uit en zagen het rijtje na honderd meter liggen. Vijf arbeidershuisjes waarvan de eerste twee verkoolde staketsels waren. Het gerucht ging dat er op een dag brand was gesticht door een projectontwikkelaar die er bij nadere beschouwing geen brood in had gezien. De weg erlangs verdween in het niets. Een paar honderd meter voor dat niets lag nog een T-kruising. Daar kon je linksaf naar Schiphol.
Harmen lichtte zijn hand van het stuur en wees naar de huisjes.  ‘Nou, heb ik iets te veel gezegd? Is het geen plaatje? Je zit hier echt aan de Costa Esmeralda…’
Tja, de geteisterde geraamtes waren overwoekerd door struikgewas. Het derde huisje was ingestort; er groeide een berk in. Alleen het vierde pand werd bewoond. Het vijfde zou mijn onderkomen worden. Harmen parkeerde de auto in de berm aan de overkant langs een sloot vol plastic, bierblikjes, condooms en injectienaalden. Ja, er gebeurde hier veel op het platteland – dat zou ik nog wel merken…
Door een voortuintje met een houten zitbank omgeven door vuilnis en onkruid liepen we naar de deur die wat klemde maar niet op slot zat. Grote, rotte plekken in het hout. We betraden een woonkamer met kokosmatten waarvan de randen omkrulden. Er stond een autobank naast de deur. Daarboven een raam met uitzicht op de rietpluimen in de sloot en een zwarte vlakte tot waar het oog reikte.
Hoeveel uitzicht kan een uitzichtloos bestaan nog bieden, zei ik bij mezelf nadat Harmen me er met mijn schoudertas en rolkoffer had achtergelaten en me veel sterkte had gewenst.
Dat had ik ook wel nodig. De enige luxe bestond uit de tv, het bakbeest met het gifgroene scherm. Middenin de ruimte stond een strijkplank met een kruk ervoor. Tegen de achterwand een gebarsten aanrecht. Een tweepits gasstel en een geiser. Daarboven zag het achterraam uit op lege kippen- of konijnenhokken en een schuur. O ja, dat bloembollenwerk ‘s nachts…
Naast de keuken een gang met een toilet zonder deur en zonder bril en een douchecabine waar paddenstoelen in de naden groeiden. Een ladder leidde van de kamer naar een vliering. Daar vond ik een tweepersoonsmatras met een paardendeken en een hoofdkussen gewikkeld in een Perzisch kleedje.
De eerste nacht was rommelig. Mijn matras rook muf. En er hing een lucht van stof en hout. Door het dakraam viel licht naar binnen. Koplampen van auto’s kropen langs de balken en doken in de vloer. De maan kwam op en legde een blauwe ruit over het zeil. Wie denkt dat het platteland ’s nachts altijd aardedonker is, vergist zich, en stil is het er ook niet per se, want toen ik bijna sliep, trok het gekrijs van katten de nacht aan flarden.
Dus stond ik na een paar uur draaien maar op, krabde de paddenstoelen in de douchecabine weg en liet het water over me heen stromen terwijl de geiser boven de gootsteen verontrustende plofjes liet horen. Ik had wat tv kunnen kijken maar dacht op dat moment nog dat het ding het niet deed.
Terug op mijn matras volgde ik opnieuw de lichten van het verkeer over het gebinte en de binnenkant van het dak, totdat alles om me heen zo vredig en zo donker was als het hier hoorde te zijn. Van Schiphol merkte je nauwelijks iets. Zolang de wind niet deze kant uit kwam, had Harmen uitgelegd, dreef alle lawaai naar Amsterdam.
Ik overdacht de afgelopen jaren, al mijn verhuizingen en adressen. Daarbij doorstroomde me een gevoel dat ik als jongen vaak had gehad als ik weer eens van pleeggezin was veranderd en in een vreemd bed geleidelijk wegdroomde: een sensatie van alle kanten op kunnen, de toekomst aan mijn voeten.
Dat was nu ook weer zo. Een boot bracht me naar een tropisch eiland. Terrassen aan een lagune. Palmbomen. Zonsondergangen. Een alles verzengende romance. Ja, een eenzame ziel leidt vele levens. Ik sliep al.

Wanneer ik in de dagen daarna, mijn bestaan vervloekend, met de bus uit Amsterdam terugkwam, leek het rijtje vanuit de verte op een reusachtig kadaver, door hyena’s aangevreten. Bij regen een scheepswrak weggezonken in de horizon. In de voorste ruïnes speelden de kinderen uit het dorp vaak cowboytje en Indiaantje.
Verder was het een boulevard of broken dreams met slechts twee bewoners. Ikzelf en naast mij een man met een vaalbleek gezicht, omkranst door een Raspoetin-achtige baard en haar dat alle kanten op vloog. Op de ochtend van onze kennismaking droeg hij ondanks de hitte een regenjas over zijn kleren waar een geur van verwaarlozing van afsloeg, bijna een lijklucht.
Hij wilde niet binnenkomen, maar bleef voor de deur staan en vertelde hoe hij het wilde hebben: geen paardenbloempluis van mij bij hem in zijn voortuintje en geen hondendrollen. Dat laatste kon ik hem meteen garanderen, want er was geen hond in mijn leven. Zijn tuintje was overigens, net als dat van mij, naast alle rotzooi een voortzetting van de weegbree en de brandnetels uit de bouwvallen ernaast. Paardenbloemen hadden er juist een vrolijke noot in kunnen aanbrengen.
Hij had een klagerige manier van praten. Iedereen dacht altijd maar eerst aan zichzelf en niet aan een ander en hield ‘nooit niet’ – of ‘nooit geen’ – rekening met hem. Uit zijn ongevraagde levensverhaal bleek dat hij als ‘worstontwerper’ had gewerkt voor een supermarktketen.
‘Wil je toch niet even binnenkomen?’
‘Nee, daar gaat het niet om, daar gaat het niet om. Kan hier ook, kan hier ook.’
‘Wat je wilt. Lijkt me trouwens een interessant beroep: worstontwerper.’
‘Interessant? Interessant? Daar gaat het niet om, daar gaat het niet om, hoor, als ze je niet mogen en je eruit werken.’
‘Maar wat deed je precies? Zat je aan een tekentafel of ontwierp je worsten op de computer?’
‘Tekentafel, maar daar gaat het niet om, daar gaat het niet om, als ze jaloers zijn en alles van je afpakken.’
Hij beloofde me niettemin een keer tekeningen te laten zien van de door hem ontworpen Berliner die al jaren met succes verkocht werd. Zonder overgang vertelde hij ten slotte dat hij kippen had gehouden die door vossen waren geroofd en dat in de schuur achter mijn huis een wietplantage zat. Had hij over gebeld. Politie deed niets. Hij waarschuwde me maar even. Goed bedoelde waarschuwing. Bij wijze van afscheid draaide hij me met een ruk en een grom de rug toe en verdween in zijn eigen woninkje.
Het leek me het beste deze man zoveel mogelijk te mijden. Ongevaarlijke gekken bestaan niet.

Zondagavondbuurt

tussen-winter-en-lente-2007-004
Zondagavond ergens tussen november en februari…

In Zondagavondbuurt, mijn eerste bundel korte verhalen, laat ik mijzelf van verschillende kanten zien. Ieder verhaal biedt een blik in het leven van soms vreemde eenden in de bijt.

Van leraren die wel erg intiem zijn met hun leerlingen tot gewelddadige buschauffeurs, van een schimmige fantast die zijn omgeving jarenlang een rad voor ogen draait tot een wellustige tante die haar jonge neefje het bed in lokt, van een middeleeuwse monnik tot een Poolse menseneter en vele anderen.
Een belangrijk deel van deze bundel is doordrenkt van een aan mijn eerdere werk verwante dromerige, melancholieke sfeer, waarin de humor niet geschuwd wordt. Tevens heb ik een paar verhalen geschreven met sprookjesachtige dan wel absurdistische trekjes.
Hopelijk valt bij het lezen net zoveel plezier te beleven als ik bij het schrijven heb gehad.

Verschijnt mei 2017 bij uitgeverij Passage

Zo begint het verhaal De scherprechter:

De Caspar Fagelstraat is een kleurloze zijstraat in een niet minder kleurloze buurt. Ooit hoopvolle nieuwbouw uit verre, naoorlogse jaren, gezinswoningen waar twee, drie generaties in hebben gezeten. De meeste eerste bewoners allang weg, dood of verhuisd.
Je kunt je een beeld vormen van hun levens als je een eindje teruggaat in de tijd. Van broodmagere wederopbouwjaren tot de opkomst van de televisie, van eerst lieve, later veel te mondige kinderen tot een pensioentje, een AOW, een arbeidsongeschiktheid.
Echt een straat om op een zondagavond doorheen te dwalen, bijvoorbeeld na een scheiding, en te verlangen naar de gezelligheid van een gezin bij het flakkeren van een beeldscherm, pa met zijn voeten op de salontafel, ma met gekruiste armen en bittere lippen naast hem, een of twee onderuitgezakte pubers.
Na de dood van mijn ouders, gevolgd door de breuk met mijn vriendin, heb ik zo’n periode gekend. Naar binnen kijken en verlangen naar een gedeelde treurigheid, die mij toch beter leek dan niets. Ja, zwerven door wat ik een zondagavondbuurt noemde, door motregen in lantaarnlicht dat net zo goed niet had kunnen branden. Nooit gedacht tijdens de jaren met Maryse en Margootje dat ik nog eens terug zou keren naar de Caspar Fagelstraat, maar Leenders woont er, op nummer 6.
Laat er geen misverstand over bestaan: Leenders en ik zijn geen vrienden en zullen dat ook nooit worden. Zeker na mijn laatste bezoekje niet meer.  Gisteravond – het kon geen toeval zijn dat ik een zondagavond uitgekozen had – belde ik omstreeks tien uur bij hem aan. Na wat gestommel verscheen zijn silhouet in het glas van de voordeur die hij van het nachtslot moest halen.
Daar stond hij in zijn joggingbroek, op pantoffels uit betere tijden: vrouw, kind, ’s ochtends met een pakje brood naar een groothandel in surfplanken…
Hij keek tegelijk dwars door me heen en naast me.
‘Jij weer?’                       
‘Mag ik binnenkomen?’
‘Moet maar. Kan moeilijk nee zeggen.’
Hij slofte voor mij uit door het halletje naar de huiskamer. Gebaarde mij op de bank te gaan zitten en plofte zelf neer in een leunstoel. Richtte zijn afstandsbediening op een plat televisiescherm dat uitfloepte. Rondom de poten van zijn stoel lege bierblikken van een halve liter, kartonnen schaaltjes met aangevreten hamburgers en uitgedrukte peuken. Hij stak een sigaret op, waarna hij een nieuwe halve liter liet openspringen.
‘Vind je niet dat je veel drinkt voor iemand die nooit, nee nooit meer één druppel  zou drinken, Leenders?’
‘Kom je me dát inpeperen? Had je beter thuis kunnen blijven.’
‘Ik kom je helemaal niets inpeperen.’
‘Dat doe je wel. We zouden elkaar één keer ontmoeten en daarmee basta, was de afspraak, met, hoe heet die pief? Boers of zo.’
‘Broersen.’
‘Kan het schelen. Je zou me met rust laten, maar je hebt er schijt aan.’
‘Dat is niet waar.’
‘Man, dit is de derde of vierde maal al. Wat wou je nou nog?’
‘Met je praten.’
‘Praten, praten. Denk je dat je iets opschiet met dat gelul van je? Denk je dat ik er iets mee opschiet? Het zou toch zo langzaamaan genoeg moeten zijn, joh; ben alles kwijt, mijn baan, mijn BMW – álles!’
‘O, en dat is mijn schuld?’
Geen antwoord. Draaien en heen en weer schuiven. Hij nam een slok bier, bolde zijn wangen voor een boer. Hij trok zo lang aan zijn sigaret dat er aan de punt een asrups ontstond die op zijn joggingbroek viel.
We zaten in het schijnsel van het enige lichtpunt in de kamer, een tl-balkje dat aan het plafond boven hem bungelde. Hij zag er beroerd uit. Haar in slierten over zijn schedel, vlekken op zijn wangen, zijn ogen waterig en roodomrand als na een huilbui, maar daarmee zou ik hem te veel eer geven.
‘Heb je misschien een glas water voor me, Leenders?’
‘Pak zelf maar. Als je tenminste een glas kan vinden.’
Ik sloot mijn ogen. Dacht: nu is alles mislukt, wat misschien maar beter is ook. Kan ik zo naar huis, is er morgen weer een dag, een volgende week met wie weet, een andere, open toekomst.
Maar hij hees zich overeind. ‘Laat maar. Moet toch pissen.’
Dat laatste kostte hem moeite. Ik hoorde hem op de wc in het halletje onderaan de trap kreunen en steunen. Tijd genoeg om het poeder in zijn bier te laten glijden, en dat wat ik er in mijn zenuwen naast had gegooid weg te vegen.
Met op de achtergrond het geraas en gebonk van de stortbak kwam hij de kamer weer binnen. Zonder glas water.  ‘Nou, had je nog iets wat ik niet wist?’ bromde hij terwijl hij zich opnieuw in zijn zetel liet zakken. ‘Anders ga ik zo pitten.’
‘Misschien kunnen we samen een beetje tv kijken,’ stelde ik voor.
‘Zeg, ben jij wel goed snik?’
‘Alleen is maar alleen, Leenders.’
‘Die is gek, zeg,’ mompelde hij maar richtte toch zijn afstandsbediening op het scherm. Zwijgend volgden we de tweede helft van een voetbalwedstrijd. Ik hoorde hem zijn bier wegklokken, boeren, zuchten. Daarna de ademhaling van een slaper zwoegend in zijn roes. Combinatie van bier en barbituraten. Zijn kin was op zijn borst gezakt, met een draad speeksel uit zijn mondhoek, tot op zijn spencer. Zijn peuk smeulde op zijn broek, naast een biervlek.
Een en al dood gewicht, maar het lukte me toch om hem vanuit zijn stoel op het vloerkleed te rollen, waar ik hem knevelde. Handen op de rug. Dubbele lagen tape om zijn polsen en zijn enkels. Ik plakte er ook zijn mond mee af. Daar lag hij dan, het midden houdend tussen een zeemeermin en een bedorven worst. Het wachten was op het moment dat hij wakker zou worden. Ondertussen speelde ik met mijn pistool, liet het wervelen om mijn vinger, snoof de geur van smeerolie op.

PG

 

Conferentie met René Diekstra

Op vrijdag 23 september 2016 organiseren het lectoraat Jeugd en Opvoeding van De Haagse Hogeschool en het Algemeen Nederlands Gezelschap voor de Studie van Zelfmoordproblemen (ANGSZ)* de nationale conferentie ‘Suïcidepreventie. Waarom faalt ‘t?’

Dat is tevens de titel van de bijdrage van René Diekstra, Emeritus Professor Psychologie en lector Jeugd en Opvoeding en columnist, die een belangrijke spil in dit geheel is.

Zelf zal ik aan de conferentie deelnemen met een betoog aangekondigd als: Tot het uiterste gedreven: over de dood van huisarts Nico Tromp. Centraal zullen daarin twee vragen staan. Waarom heb ik het nodig gevonden een roman (De jacht op de klaproos) te wijden aan de affaire-Tuitjenhorn? En in het verlengde daarvan: hoe verhoudt de suïcide van Tromp zich tot het overheidsoptreden dat voorafging aan zijn dood? Een vraag die impliciet al aan bod komt in het boek, tegelijk fictie en aanklacht, drama en reconstructie.

Een behartenswaardige conferentie over een prangend maatschappelijk thema, waaraan deelname een noodzaak is.

Voor nadere informatie en opgave, klik hier.

 

Bericht van een Zwols terras

Michael, ik had je zo graag nog eens ontmoet
in een kroeg of buiten op een terras
om te praten – ja waarover?

Ik vermoed over het halve woord waar jij
en ik genoeg aan hadden

Maar ik las dat je al was vertrokken
voor ik die nieuwe afspraak kon maken

Ik ben hier nog, alleen met onze vriendschap
in wording en alles wat ik doe en schrijf
wordt al een week overschaduwd
door je vertrek

Waar spraken we over, waar gingen
onze zinnen naartoe – zonder de taal
lief te hebben krijg je niets op papier
ja, dat betekende ons halve woord

We zullen elkaar dus nooit meer ontmoeten

Ik ben hier nog, alleen met onze vriendschap
in wording en met het beeld van je gezicht
die ietwat verlegen maar wakkere blik
met daaronder die gevoelige grijns

Daar zit ik dan tussen twee zomerregens
op een Zwols terras te schrijven, te strepen
in wat ik je nog wilde zeggen, aarzelend
tussen vaarwel en het ga je goed

Tot een volgende wolkbreuk
mij naar binnen jaagt

PG

Dag Joost

Vrijwel gelijktijdig, zo in de loop van 2011, vielen Joost Zwagerman en ik ten prooi aan een verregaande neerslachtigheid. We wisten het alleen niet van elkaar. Het kwam over en weer pas aan het licht in een uitgebreide mailwisseling, ongeveer een jaar later.

Hij vertelde mij door welke externe omstandigheden hij in het dal terechtgekomen was; ik hem hoe dat bij mij juist van binnenuit ontstaan was. We waren toen allebei aan het overeindkrabbelen, wat bij mij was begonnen met onderstaand gedicht dat ik hem ter illustratie stuurde. Het sprak hem aan, hij herkende er ook wel dingen in. Daarom draag ik het aan het einde van deze onwezenlijke eerste dag na zijn dood aan hem op, als een bericht in een fles, in de hoop dat hij nog eens aanspoelt bij de oneindig verre vloedlijn waar Joost hopelijk de rust gevonden heeft. Dag vriend.

PG
9.IX.2015

IN EEN HERFSTIG HOTEL

Voor Joost

In een herfstig hotel ben ik mijn ziel
op het spoor gekomen
een gestorven blad onder mijn bed
in een kamer aan een marktpleintje
zonder bomen

en zonder markt – achteraffer kon het niet
toch verdwenen
juist hier de scheuren
in mijn voering
verdampte het verdriet

nooit geweten dat het er zo uitzag
wat ik hier zou vinden
een blaadje van een verre boomtak
losgeraakt tussen
twee oktobervlagen

zomaar dus onder mijn bed
het beeld gezien
van wat men ziel noemt
het kwam van nergens
en ging nergens heen

om de wereld door te geven
haar boeken en haar bouwsels
ons onbegrijpelijke leven
in een herfstig hotel waar
ik maar één nacht ben gebleven

Carl

zomer 2008 II 077
In zijn huis in Couze, zomer 2008. Achter hem: een danseresje gesmeed door zijn vader Karl (mijn grootvader) en een foto van zijn fee in baljurk…

Als John Lennon of Harry Mulisch mijn oom waren geweest, hadden de dingen voor mij niet wezenlijk anders gelegen. Mijn oom Carl Joseph Gellings (6 maart 1930 – 7 juni 2015) was een kleurrijke, om niet te zeggen: flamboyante, kunstzinnige persoonlijkheid.

Begenadigd tekenaar en modeontwerper had hij de bijzondere eigenschap mannequins te tekenen met slechts één been en vaak ook met maar één oog (wat overigens aan hun bevalligheid niets afdeed). Er was niets grauws aan hem maar vanwege zijn grijze lokken, baard en bakkebaarden werd hij door sommigen ‘de oude, grijze postduif’ genoemd. Ik heb voor en over hem het volgende gedicht geschreven en voorgedragen tijdens zijn begrafenis op zaterdag 13 juni 2015 in Couze (Dordogne).

 

BIJ DE DOOD VAN DE OUDE POSTDUIF

 

PICT0138
Carls dochter, mijn nicht Marie Claire, samen met haar Paul op 13 juni 2015 op de begraafplaats van Couze…

Grote vogel vredig in slaap, al bijna terug

bij zijn kern, al bijna los uit zijn vlammend

omhulsel, zijn pluimage, zijn lichaam

 

Een lachje speelt om zijn lippen alsof hij

ogen dicht achter zijn bril

van onmetelijke hoogte kijkt in

een vallei van jaren en jaren

 

Zijn grote liefde: een fee in een baljurk met

een diadeem in een rode toren van haar

hun kinderrijk nest niet ver van de haven

zijn haven, de stad en de nacht waar hij

samen met haar dansend en feestend

doorheen vloog

 

museum_rotterdam83319-22
Met één been en een knipoog…

Nog zie ik de eenbenige schoonheden die

hij tekende aan zijn ontwerpen ontstijgen

en sierlijk een modeshow lopen

nog zie ik alles wat hij hopelijk ook ziet

nu hij zo vast ligt te slapen

 

Hier, in het land waar hij ten slotte aankwam

zag, overwon maar zijn grote liefde verloor

ze ging hem voor en je ziet dat het lachje

op zijn gezicht zich plooit tot de kus

die hij haar zal geven bij het weerzien

 

 

PG

 

 

Joep

TroisOrris1
Joep in zijn Domaine des Trois Orris, in een karakteristieke pose met een geliefde makker…

Voor mijn veel te jong overleden vriend en oud-leerling Joep Graler (43) kon ik na de uitstrooiing van zijn as niet anders dan het onderstaande gedicht voorlezen. Joep was een gepassioneerde wijnbouwer die in de Pyreneeën zijn eigen paradijs had verwezenlijkt.
Vandaar.

 

WIJN

Voor Joep

Diep in de aarde moet het zijn begonnen:

een kracht die op een dag de zon opzocht,

geboren, zoals alles, uit een vruchtbaar vocht,

6 juni 2015
Het uitstrooien van Joeps as in Les Trois Orris door Hanny, Marieke, Camille en Margot…

waarmee de strijd om leven was gewonnen.

 

Je proeft wat in de bodem was verborgen.

Je proeft het zachte duister in je mond,

de smaak van een vergeten zomeravond

of van een helder beekje in de morgen.

 

Ik was deze zomer op een wijnkasteel te gast

en werd betoverd door de ziel onder de kurk;

in de vallei lagen de gaarden als een jurk

die alleen je allergrootste liefde past.

 

Ik ging erheen en trof er weelderige trossen

die daar glanzend hingen aan hun stokken.

Ik had mij een paradijs in laten lokken

dat mij van al mijn vragen zou verlossen.

 

Want ineens begreep ik hoe het was begonnen,

hoe gulzig het naar zonlicht had gezocht,

hoe er toen een vrucht geboren werd vol vocht,

waarna de wijn kwam, en heeft overwonnen!

PICT0037
In het hart van zijn wijngaard het glas heffen op Joep!

 

 

PG

 

 

Alweer een prijs

IMG_8001
PG leest voor. Links Minke die de correctievoorschriften overdenkt, wat je aan haar gezicht ziet…

Betekenisvolle abracadabra

Een nek-aan-nekrace was het wel, het Groot Zwols dictee op donderdag-avond 26 maart in het HCO (Historisch Centrum Overrijssel), waarbij ik derde mocht worden met slechts 94 fouten… De tweede prijs ging naar iemand met 93 fouten, de eerste bekroonde 92 fouten.

Toch zijn deze aantallen in het geheel niet verwonderlijk waar het altijd gaat om vijf lange zinnen waarin werkelijk álles fout gerekend wordt wat er maar fout te rekenen valt, van komma’s en punten tot hoofdletters en apostroffen. Daarnaast is er de mogelijkheid in één woord meer fouten te maken – nou, dat tikt aan! Wat er dit keer bij kwam, was dat de echte goeie beoefenaren van het Zwols, die al eens een prijs gewonnen hadden, niet meer mochten meedoen. Niet officieel althans. Maar er waren genoeg sportievelingen die hun pen nog eens lieten krassen en het papier zuchten. Daarbij zij vermeld dat een en ander niet had plaatsgehad zonder de genereuze sponsoring van de Stichting Abracadabra.

IMG_8006
Een zin – ga d’r maar aan staan…

Dichteres en columniste Minke Kraijer las de door haar gewrochte  zinnen een voor een schitterend op toon voor, een mengeling van humor, poëzie en folklore (zie foto, alle foto’s zijn van Harry ten Klooster, waarvoor grote dank). Daarna mocht ondergetekende enige gedichten voordragen, wat hij maar liever niet in het Zwols deed, maar het was wel werk gewijd aan Zwolle, te weten een vers over de verborgen stadstuin van Harry Pierik, een over het voormalig literair café In de Sinnepoppen en een over het openluchtbad Zwolle en zijn vorig jaar overleden beheerder Ron van den Berg. Ook Minke las een gedicht voor, wat zij natuurlijk in het Zwols deed, herinneringen aan de schommel uit haar kindertijd, teder en weemoedig.

Na dit intermezzo was het pauze in de hal van het HCO, voorlopig nog met thee en koffie – maar het feest was al latent aanwezig, dat kon je voelen.

Vervolgens de prijsuitreiking waarbij Minke Kraijer zich wat kritisch uitliet over de hoge aantallen fouten omdat het in haar ogen toch redelijk makkelijke zinnen waren geweest. Wie schetste dan ook mijn verbazing toen ik ineens in de prijzen bleek te vallen! Van onze burgemeester Henk Jan Meijer (127 fouten…) kreeg ik de derde prijs overhandigd, een oranje bus vol Zwolse lekkernij (die ik eerst voor een fles whisky aanzag) en het Zwols woordenboek. Nu hoop ik vurig dat het reglement nog eens veranderd wordt, zodat ik na duchtige bestudering van genoemd woordenboek op een dag de eerste prijs zal winnen. Moet lukken.

IMG_8023
De apotheose – het Zwols Woordenboek!

Maar bestuderen ga ik het toch, het is zeer lezenswaardig en – laat ik het woord nog maar eens gebruiken – poëtisch!

De avond werd afgesloten met een dicteebal in de hal, waarbij Minke mij de eer aan deed een dans van mij te aanvaarden en verderlicht samen met mij over de vloer te zeilen. Dit alles op evergreens, weergaloos en expressief vertolkt door Henk Klompenmaker (100 fouten…), in wie Elvis Presley en Frank Sinatra beurtelings reïncarneerden. Uiteraard vloeiden nu ook opmerkelijk goede wijn en heerlijk helder bier. Het was nog lang onrustig in Zwolle, al was het alleen maar omdat ik nadien thuis de slaap niet kon vatten en de hele nacht heb liggen kranewaken.

Maar de volgende ochtend was ik gek genoeg helemaal niet nösterig.

Een nieuwe bundel

ontwerp Myrthe
Ziehier de inhoud van de Passagedoos zoals ontworpen door Myrthe Heuzinkveld. Café Egidius tweede van links, bovenste rij.

Na elf jaar is het dan eindelijk weer zover: er komt een nieuwe dichtbundel van mijn hand uit onder de titel Café Egidius, die deel zal uitmaken van wat nu al ‘de doos van Passage’ wordt genoemd.

En ik ben in goed gezelschap in die doos of cassette, want naast mijzelf doen mee: Daniël Dee, Karel ten Haaf, Renée Luth, Ronald Ohlsen, Joost Oomen, Diana Ozon, Pauline Sparreboom, Irene Wiersma en Willem Jan van Wijk. Laatstgenoemde heeft ook heel constructief meegelezen met de door mij gemaakte selectie verzen, waarvoor ik hem bij deze nog eens hartelijk dankzeg. Verder zijn cassette en afzonderlijke bundels schitterend vormgegeven door Myrthe Heuzinkveld (klik maar eens op de afbeelding hiernaast).

tussen winter en lente 2007 022
Reünie van oude stamgasten bij ons thuis, met Ton en Tjaak, Jan en Fenny, Ronald en Ina, Roy, Erna en PG…

Café Egidius is een verzameling overwegend ongepubliceerd werk dat ik heb gekozen uit de misschien wel 200 gedichten die ik sinds 2004 (na de verschijning van mijn vorige bundel De stem van de herfst) schreef. Het titelgedicht is een hommage aan Literair Café In de Sinnepoppen en zijn onvergetelijke kastelein, wijlen Ton Jonkers. De volgorde van mijn keuze is chronologisch en vormt in zekere zin een soort lyrische autobiografie. Het geheel is dus niet meer thematisch gerangschikt in afdelingen. Wel is het een tweeluik geworden bestaande uit de genoemde, persoonlijke keuze en een aantal vertaalde gedichten van Charles Baudelaire, Arthur Rimbaud, Paul Verlaine, Rainer Maria Rilke, Stefan George, Hugo von Hofmannsthal, Philip Larkin, Edgar Allan Poe en Oscar Wilde. Sommige van die gedichten zijn nog niet eerder vertaald, andere wel.  Hoe dan ook is mijn bedoeling om daarmee te laten zien waar ik vandaan kom en waarmee ik me verwant voel.
Hieronder een gedicht van mijzelf, gevolgd door een vertaling.

 

HET KIND UIT MIJ

Voor Mara’s 21e verjaardag

Je oogjes wisten het op het moment van je geboorte
ik kwam je bekend voor en jij mij in even sterke mate
wie ben je toch, zo sprak je zonder woorden
we huilden samen alsof we toen al praatten

later dansend aan mijn hand op zaterdagen
of tekenend in de trein op weg naar Amsterdam
waar je me in het Rijksmuseum zou vragen
hoe het kon dat er zomaar licht uit schilderijen kwam

ja, toen was je meer dan ooit het kind uit mij
daarna werden we overrompeld door de tijd
een eierschaal stelde zich op om al dat zachte

een pantser, wat kon ik er zo gauw aan doen –
toch zag ik altijd het kind uit mij erachter
en ach, die schaal, die  brak, je keek me aan als toen                                                           (PG)

 

IMPRESSION DU MATIN – Oscar Wilde

De nachtelijke Theems van blauw en goud
Maakte zich in grijze ochtend Mooi;
Een schuit met okerkleurig hooi
Verliet de kaai: en kil en koud

Schoof de gele mist daar ineens
Over de bruggen, tot overal
Gevels schaduw werden en de St. Paul
luchtbelvormig in de stad verrees.

Toen weerklonk er ook de ademstoot
Van het ontwaken; de straten vol
Met boerenkarren: en een vogel
Bevloog een blinkend dak en floot.

Maar een vrouw vaalbleek en alleen,
Gekust door zon op fletse haren,
Stond nog in de gloed van een lantaarn,
Haar mond een vlam, haar hart een steen.

Boekenbal 2015

PICT0009
Maart 2015. De delegatie van uitgeverij Passage, met rechts voor Anton Scheepstra.

Later vieren denk ik de boeken

zelf feest, wervelen op het toneel

of staan te lezen in elkaar.

 

Op kousenvoeten terug naar het

theater, dat nagonst als een

schrijvershoofd. Daar inderdaad

 

gezien hoe zijzelf dansten, dansten,

tot de slaap kwam met de dag –

PICT0013
Iemand toch zal toe moeten zien dat alles voorbij gaat. (Rutger Kopland)

ochtend op een eenzaam plein.

 

Binnen alle pluche nu dof;

blijft alleen hun glans

als wij er niet meer zijn.

 

PG

Genomineerde zin

PICT0012
Martine Helmich uit Augustusland

Kortgeleden attendeerde mijn goede vriend de dichter Tjarda Eskes mij op een aardige column van Frits Abrahams in NRC-Handelsblad. Deze ging voor een belangrijk deel over de prijs die weblog Tzum ieder jaar uitreikt voor de beste literaire zin. Dit jaar was de prijs naar een zin uit La Superba van Ilja Leonard Pfeijffer gegaan. Die zin wordt verder niet aangehaald; wel komt Abrahams met een aantal andere zinnen die wat hem betreft ook bekroond hadden mogen worden. 

En zo bevindt een zin van mij zich in het goede gezelschap van fraaie tournures afkomstig van o.a. Daan Heerma van Voss (‘Elke maaltijd is lekker als je het licht genoeg dempt’) en Robbert Welagen (‘Ze zei een keer dat mijn lichaamshouding uitdrukte dat ik me niet wilde voortplanten’).

Mijn zin, die ik dadelijk zal citeren, staat in mijn laatste roman Augustusland en betreft de tirannieke collega-museumconservator van de hoofdpersoon, een mevrouw die voortdurend klikt en klaagt bij de directie, daar ook om de haverklap een goede beurt probeert te maken, poten onder andermans stoel vandaan zaagt, jankt en met deuren slaat als ze haar zin niet krijgt en een obsessieve drang heeft haar naaste collega te gronde te richten. Dat het niet alleen gaat om een personage dat is gemodelleerd naar iemand met wie ik zelf ooit heb samengewerkt, maar om een type dat veel meer voorkomt, is mij gebleken uit reacties van lezers die in Augustusland een medewerkster uit hun eigen bedrijf of instelling herkenden.

Ik denk dan ook dat mijn zin zijn nominatie te danken heeft aan een zekere herkenning. Dit is hem:

Sinds die dag kromde de achterdocht meer dan ooit haar rug, ontblootte verbetenheid haar ondertanden, verfde jaloezie haar tong zwart.  (Augustusland, p. 68)

Martine Helmich dus. Wie kent haar niet? Op bijna iedere werkvloer heb je er wel een…

 

PG

Bloks geopend

Theo
Theo Bloks, bij wie je dus vindt wat je niet per se zoekt. Ik kreeg nog een prachtig cadeau van hem: De verzamelde prozawerken van Paul Verlaine in de Pléiadereeks!

Gisteren (25 september 2014) was het dan zover. Toen werd Bloks Boeken, Jufferenwal 14, te Zwolle feestelijk – nee, zinderend – geopend. Theo Bloks zelf had mij gevraagd wat woorden te spreken in de aanloop naar de officiële opening door burgemeester Henk Jan Meijer, en voor iemand als Theo, aimabel, geestig en kundig, doe je dat natuurlijk – zeker waar het bovendien een echte boekhandel  (dus geen kiosk uit een of andere tijdschriftenketen…) betreft!  Ik zei dit:

Beste aanwezigen, vrienden, familie en dierbaren van Theo,

Deze inleiding zal bestaan uit een abc-darium op basis van alleen maar B’s – eigenlijk dus een B-darium.

Hier komen ze:

Bloks Boeken Boulevard

Boek (waarmee ik bedoel: mijn eigen boek De zomer van Icarus)

Bourbon en Booze. Hans Offringa zal ons straks tegen heel sympathieke voorwaarden een paar wonderschone whisky’s laten proeven.

En last but not least: burgemeester: Henk Jan Meijer, die deze Champs-Élysées van het goede boek straks officieel zal openen.

PICT0016
Twee generaties enthousiaste fans van Bloks Boeken…

Bloks dus, ten eerste. Ik vind het geweldig dat hier en nu en op deze manier De Slegte wordt voortgezet. Zand over het drame Selexys-Polare en de grauwsluiers die deze constructie van meet af aan bedekten en alvast een applaus, open doekje voor Bloks Boeken!

Dank u wel.

PICT0012
Schrijvers tranen… Een van de whisky’s die ons er doorheen hebben gesleept. Met dank aan Hans Offringa.

PICT0014
signeren temidden van paparazzi…

We beginnen met de B van Theo. Het mooie van winkels als die van Theo is dat ze onderscheidend zijn, een verschijnsel dat je bij de gewone boekhandel vrijwel niet meer waarneemt. Dat zijn qua assortiment de Blokkers en Kruidvaten van de lezer op zoek naar amusement geworden. In vroeger dagen nam je de trein en stapte dan uit in een vreemde stad om te kijken wat ze daar in de boekhandel hadden. Nu kun je blijven zitten en verder reizen want wat ze hebben weet je van tevoren al – dat is bijna overal hetzelfde, met dezelfde top tienen, voor fictie, voor non fictie, zomerhuizen met of zonder zwembaden, godinnen of duivelinnen  van de jacht en wat dies meer zij. Het enige onderscheidende zit hem hier in dat in de ene stad de boekhandel in een voormalig zwembad zit, in de andere stad in een voormalig crematorium, maar, beste aanwezigen, het aanbod is en blijft alom in grote lijnen hetzelfde. De zeldzame goede boekhandels die er gelukkig ook nog steeds in dit land zijn  – maar helaas steeds minder –  niet te na gesproken, net zo min als alle prachtwinkels die op dezelfde leest zijn geschoeid als Bloks Boeken Boulevard. Daar kun je nog verrast worden, daar kun je nog vinden wat je niet zoekt.

Dan de B van mijn eigen boek De zomer van Icarus. Dat wordt hier zometeen opnieuw en slechts voor € 8,99 aangeboden, waarbij zij aangetekend dat ik het geheel kosteloos en met liefde voor u zal signeren.  Koop het dus, zelfs wie het al heeft, geef het cadeau aan een vriend, kennis of familielid. Maak Theo gelukkig, maak mijn uitgever Anton Scheepstra gelukkig. Zij hebben dit het meeste nodig; ik heb mijn rechten namelijk allang ontvangen en verbrast, dus doe het niet voor mij, maar voor hen, zodat zij voort kunnen gaan de wereld blij te maken met hun rijke aanbod. Ik lees even een klein stukje uit het boek voor, opdat  u weet dat u zometeen geen rotzooi zult kopen. De hoofdfiguur keert in de zomer van 2003 terug naar Amsterdam, op zoek naar een overleden jeugdvriend van wie de dood ineens niet meer vaststaat: hij zou nog in leven kunnen zijn:

In Amsterdam was het alweer droog, toen ik die ochtend afgelopen juni in lijn 25 stapte. Het wolkendek aan flarden. Zon op een nog druipende en dampende Sint Nicolaaskerk. Hoogseizoen. Het Nationaal Monument op de Dam een bavianenrots. Er was in dertig jaar niets veranderd, ik kon zo naar het Vondelpark en samen met Leonard de zomer vieren…

  Maar gaandeweg de tramrit landde ik weer in het heden. Nee, Amsterdam was in tussentijd een totaal andere stad geworden, wie er toen rondliep was oud of weg – ik stond er alleen voor. 

  In Zuid werden de straten leeg en diep, en verzoenden me met mijn verblijf hier, dat idiote wandelproject van Blanken, alle eenzaamheid. Ik had het maar te doen met deze stad in deze zomer als ik een antwoord op mijn vragen wilde vinden.

PICT0024
Burgemeester Henk Jan Meijer (r.) klaar voor de officiële doop…

  Ik bleef in de tram zitten tot aan het eindpunt. (p. 57)

Ten slotte de B van Henk Jan Meijer, onze burgervader. Er is niemand in Zwolle die ik zo lang ken als hij. We ontmoetten elkaar voor het eerst in november 1971 in Groningen in een societeit voor studenten Frans, la Boîte genaamd, een ontmoeding die daar nog vaak herhaald werd. Ik zal daar verder niet over in details treden, maar er werd daar bij de Franse kaas ook altijd flink wijn geproefd en tot zonsopgang altijd louter beschaafd geconverseerd en gedanst. Het waren de jaren van de visnetten en druipkaarsen in chiantiflessen, nou, dan weet u het wel. Hoe dan ook, het is met groot genoegen dat ik, voordat we straks allemaal het glas gaan heffen op Bloks Boeken, het stokje nu overgeef aan de burgemeester van Zwolle, onze eigen Henk Jan Meijer.

(PG)

 

Een prijs!

DE PLANTAGE POËZIEPRIJS

De statige Amsterdamse Plantagebuurt is een literair-culturele vrijstaat, die al twintig jaar haar eigen poëzieprijs heeft. Gistermiddag  werd mij die uitgereikt in de donkerbruine ambiance van café Eik & Linde aan de Plantage Middenlaan door juryvoorzitter Ko van Geemert, tevens auteur van De Plantage, een literaire wandeling (uitgeverij Bas Lubberhuizen 1993). Verder bestond de jury uit journalist Paul Arnoldussen en uitgever Bas Lubberhuizen.  Het thema dit jaar was drank, een gegeven waar nog – hoe kan het ook anders – honderdtwintig andere dichters op af waren gekomen.

PICT0009
De prijs. Links juryvoorzitter Ko van Geemert

De andere genomineerden, met de titels van hun gedichten:

Willem van de Woestijne, een glas rood

Jan Huizing, Scotch whisky

Hervé Deleu, Ze houdt van likeurpralines

Onno-Sven Tromp, Le poète et son verre

Verwacht had ik de prijs niet. Ten eerste had de jury het in mijn eigen ogen iets mindere gedicht (Oostenwind) genomi-neerd omdat de slotregel van het sterkste gedicht (Drinklied) een van de juryleden niet overtuigde. Ten tweede was het werk van alle vier mijn concurrenten tamelijk indrukwekkend. Nu is een winnaar per definitie een goede verliezer, maar geloof me: dit meen ik echt!

PICT0017
in gesprek met Willem Vaarzon Morel

Ik was en ben des te blijer met deze prijs daar het een fraai kunstwerk betreft en wel een aquarel van Willem Vaarzon Morel, waarop men een groep druivenplukkers aan het werk ziet. Heel toepasselijk.

Ook Cees van Ede, de winnaar van vorig jaar, droeg voor en verraste het gehoor met spitsvondig en tegelijk heel gevoelig dichtwerk.

PICT0015
detail van de druivenplukkers…

De muzikale intermezzi van troubadour Jan Dros waren weergaloos. Van hem leerden we dat zelfs van een Perzisch gedicht van Omar Khayam (Xie eeuw) vertaald door J.C. Bloem een meezinger te maken was:

Kom, vul de glazen en denk langer niet
Eraan hoe snel de onhoudbre tijd ontvliedt.
Gistren is dood, morgen nog niet geboren-
Wat zou ‘t, als ons vandaag genieten liet?

Dat zongen wij dus een paar keer en met groeiende bevlogenheid mee, en het werd ook steeds onbekrompen in praktijk gebracht…

De prijsuitreiking kreeg nog een extra ‘spiritueel’ tintje dankzij grootmeester Jan Boerstoel. Soms onderkoeld, soms gortdroog, dan weer teder droeg hij een aantal aan drank gewijde verzen voor, waarbij even vaak instemmend geknikt en gemompeld werd als hardop gelachen.  Dit typeert overigens de sfeer van het geheel: simpelweg een genoeglijke poëziemiddag in een even genoeglijk Amsterdams café.

En nu mijn twee gedichten; ik begin met het winnende:

OOSTENWIND

Er waait en draait al dagen stuifsneeuw
door de stad: de winter kwam te vroeg
voor mijn fiets ligt een bevroren meeuw
ik verlang naar warme handen in een kroeg
en drank, maar hang bijna stil in oostenwind
dan ontstaan er negen regels in mijn hoofd
over iemand in gevecht met dood en kou
op weg naar wat hij zichzelf heeft beloofd
brandewijn bij een haardvuur en een vrouw


DRINKLIED

O zoals de tijd kan stilstaan op het borreluur
Middenin de weldaad van een glas Ricard
Of Bourbon met ijs, zo amberkleurig klaar
Die geest van diepe buitenaardse duur

De hemel roerloos, de lage zon een muur
Oranjeachtig licht om het terras waar
Je ten onder gaat; je neemt er nog een paar
Wat scheuten olie op je vreugdevuur

Ik herinner me hoe ik eindeloos kon drinken
Terwijl er telkens toch een eind aan kwam
Een cel of een hotelbed om in weg te zinken

Waar dan de kater wreed de fakkel overnam
Maar nog altijd blijf ik onbevangen klinken
Op dit geluk totdat het weer gaat stinken

PG

Ron

Ron
Ron…

Onlangs overleed Ron van den Berg alias ‘De openluchtbadman’ of ‘Mister Openluchtbad’. Een even beminnelijke als charismatische persoonlijkheid zonder wie Zwolle Zwolle niet zou zijn. Het onderstaande gedicht schreef ik eerder, met kennelijk vooruitziende ‘blues’. De zeer geslaagde filmimpressie is van mijn oud-leerlinge Tessa Kraijer. Trots ben ik zowel vanwege haar talent als haar ontroerend eerbewijs aan Ron.

 

OPENLUCHTBADBLUES

 

Voor Ron van den Berg

 

Niets weemoediger dan dit verwinterd zwembad

zo aan het einde van een zondag zonder sfeer,

niet meer licht en evenmin al donker wanneer

je plotseling die blinde vlek ziet in de stad.

 

Geen beter beeld van het verloren paradijs

dan dit in zichzelf gekeerd en kleumend lustoord

met zijn loketten dichtgespijkerd naast de poort

en op de bodems zelfs een laagje blad met ijs.

 

Alleen níet het ijs dat wordt verkocht op dagen

vol geurend groen en hoge temperaturen,

wanneer je kaartspeelt bij schaduwrijke hagen

 

en de zomer bijna eeuwig lijkt te duren.

Je duikt, zwemt, je laat je hier niet gauw verjagen

en ziet steeds de badman in Gods water turen.

 

(PG)

 

 

NB Zomer 2006 trok het Openluchtbad Zwolle met zijn altijd zonnig gehumeurde medewerkers ruim 82 000 bezoekers. Een opmerkelijke prestatie voor een stad van meer dan  110 000  inwoners. 

Romanrijm

Met de aankondiging van mijn romancyclus De morfinetrilogie heb ik een kleine lawine over mijzelf afgeroepen, overstelpt als ik word door vragen op straat, per mail, telefoon – er belde zelfs een aardige Belgische mevrouw.

Ziehier de twee belangrijkste vragen:

1 ‘Heb ik iets gemist als ik Verbrande Schepen en Augustusland nog niet heb gelezen?’

PICT0015
bloemmotieven, alleen niet op jurken of behang…

2 ‘Kun je een tipje van de sluier oplichten over het derde deel? Titel? Inhoud?’

1

Tja, wat zal ik zeggen? Natúúrlijk heb je wat gemist als je Verbrande schepen en Augustusland nog niet hebt gelezen; kijk maar op hun webpagina’s, naar alle lezerspost en andere reacties. Tegelijkertijd zijn de verschillende delen als afzonderlijk boek heel goed leesbaar. Verbrande schepen bijvoorbeeld op een terras en Augustusland op een bankje aan een bosvijver – in welke volgorde men maar wil. Wel is het zo dat deze boeken, en zeker als het derde deel er eenmaal is, een samenhang vertonen en elkaar versterken. Ze reageren dus op elkaar, wat ik als romanrijm zou willen betitelen, en ik weet dat er lezers zijn die daarvan houden. Ze vinden het leuk om dingen te herkennen en voelen zich steeds meer thuis in de opgeroepen romanwereld. Het derde deel zal daar ten slotte ook een aanzienlijke bijdrage aan leveren.
De morfinetrilogie
2

Eén tipje dan. Er wordt in het nieuwe boek weer veel gewandeld in gemijmerd. Bloemen komen er met grote regelmaat in voor, met name de klaproos ofwel papaver waarvan het extract uiteindelijk voor morfine zorgt – laat er overigens geen misverstand over bestaan dat er enig verband zou zijn met de drugsscene. Maar meer dan in de twee vorige delen bevindt de morfine zich nu in het kloppende hart van het verhaal.  Vooruit, nog een tweede tipje. Het derde deel is geschreven in de jij-vorm, waardoor je als lezer nog directer bij alle gebeurtenissen word betrokken. En (dat wordt dan het derde en nu echt het laatste tipje) het verhaal kent weer verschillende dimensies: waan of droom versus werkelijkheid, figuren uit een schimmenrijk en wezens van vlees en bloed, een tijdlijn volgens de klok en wat ook wel genoemd wordt: innerlijke tijd, de tijd die je in je meedraagt, die soms terugkomt, zich dan weer terugtrekt, maar die het linnen is waarin onze ziel is geweven…

Wie nu zijn nieuwsgierigheid niet meer weet te bedwingen, kan een gesigneerd exemplaar van Verbrande schepen en Augustusland thuisgestuurd krijgen, door heel eenvoudig een mailtje te sturen naar paul.gellings@ziggo.nl of naar info@uitgeverijpassage.nl  onder vermelding van: ‘Morfinetrilogie’.

 

 

Indonesische vertaling

Na vertalingen in het Frans, Duits, Engels, Pharsi en Fins de Indonesische vertaling van mijn gedicht Wassende vrouwen uit de bundel De stem van de herfst, door Siti Wahyuningsih & Albert Hagenaars.
Het gedicht is geïnspireerd op de beeldengroep De familie van Joop Hekman bij het Enschedese raadhuis in de Langestraat.
Het is handgeschreven en in druk opgenomen in de bundel Water en vuur IV naast een foto van De familie van Karla de Boer-Gilberg (Uitgeverij Phidias, 2004).

Sabtu, 29 Maret 2014

PAUL GELLINGS – Perempuan pencuci

Ibu dan anak perempuannya membungkuk di sungai
yang dangkal di kota, membilas tangannya atau mencuci
pakaian yang tak terlihat. Ayah dan anjing menyaksikan.

Pernah berbusa dalam air ini, dan saya melihat
apa yang perempuan dan gadis itu coba lakukan,
mengapa berdiri di sana di posisi yang tak nyaman.

Dari perunggu mereka menjelma ibu dan anak.
Mereka memulai dengan cucian yang misterius
ayah dan anjing menyaksikanya.

Begitu Dewata-Dewata dibuat, kematian dilahirkan.
Begitu anak tangga dibangun rapi melingkar
menjadi air terjun, aliran air gunung

yang tak berujung, dimana manusia hidup
dan bermimpi; dimana manusia membilas
dan mencuci – dan kita melihat diri sendiri.

Puisi ini ditulis atas inspirasi dari kumpulan patung patung. Karya ini, bernama ‘Famili’, dibuat oleh Joop Hekman dan berdiri di kota Enschede.

Terjemahan: Siti Wahyuningsih & Albert Hagenaars
22-03-2014

Ofwel…

Wassende vrouwen

Moeder en dochter gekromd bij een doorwaadbare
plaats in de stad. Ze spoelen hun handen of wassen
onzichtbare kleren. Vader en hond kijken toe.

Ooit vlokte hier schuim door het water, en ik zag
wat de vrouw en het meisje probeerden te doen,
waarom ze daar stonden in die lastige houding.

Van brons werden ze moeder en kind.
Ze begonnen aan hun geheimzinnige
was, en vader en hond keken toe.

Zo worden goden gemaakt en doden geboren.
Zo veranderen keurig in het rond gemetselde
treetjes in een cascade, een bergbeek

oneindig ver weg, waaraan wordt geleefd
en gedroomd; waarin wordt gespoeld en
gewassen – en wij ons spiegelen

Amsterdam Quartier Sud

Vient de paraître/ zojuist verschenen…

Amsterdam

En librairie le 20 Mars 2014
ISBN 2-36371-0864
Format 140 x 225 mm
Pages 390p.
Prix 24.9 €
Découvrir

Amsterdam – Quartier Sud

Roman de Paul Gellings

De retour à Amsterdam, trente ans après l’avoir quitté en 1964, à la veille de ses onze ans, le narrateur, devenu illustrateur, est capable d’en dessiner, les yeux fermés, chaque rue, chaque façade, place ou promenade…  Un voyage dans la mémoire et dans l’espace qui le ramène presque toujours à l’angle de la Volkerakstraat, dans le quartier Sud, sous les fenêtres de l’appartement désormais désert où habitait son ami Leonard Grünewald et toute sa famille. Le souvenir atroce des coups et des humiliations subies à l’école par les deux garçons se double de l’énigme tenace qui entoure le passé des Grünewald. Le père, lui-même rescapé des camps de concentration,  a-t-il réellement trahi la famille d’Anne Frank qui se cachait dans un immeuble voisin ? La mère, tondue à la Libération, s’est-elle alors adonnée à la prostitution avec des officiers allemands ? Ce sera bientôt le tour du narrateur d’éprouver le tourment de la culpabilité, quand il apprendra la nouvelle terrible de la mort de Leonard dans des circonstances peu claires…

Ce portrait graphique et saisissant d’Amsterdam, retraversé depuis les années cinquante  jusqu’à l’ère contemporaine, fixe sur l’enfance d’après-guerre les stigmates de l’Histoire tout en revisitant le thème éternel de L’Ami retrouvé de Fred Ulhman.

Voici la toile de fond du livre dans toute sa splendeur panoramique:

 

Avec un grand merci à Richard Keijzer et la société Software Improvement Group.

Sprookje

Mooier kan het niet. Aan de vooravond van de verschijning van Amsterdam Quartier Sud, mijn Franse – op Zuidelijke Wandelweg en De zomer van Icarus geïnspireerde – roman over Plan Zuid, kwamen mij deze beelden onder ogen, dankzij de prachtsite Geheugen van Plan Zuid

De makers waren in de gelegenheid gesteld om Plan Zuid vanaf de hoogste verdieping van de Rembrandttoren te bekijken. Dit gebouw staat niet in Plan Zuid maar aan de overkant van de Amstel en biedt een op een hoogte van ongeveer 135 meter fantastisch overzicht op de buurt.  De Rembrandttoren is de hoogste wolkenkrabber van Amsterdam en is genoemd naar de beroemde schilder Rembrandt van Rijn. De toren staat aan het Amstelplein 1 in de Omval, de landtong in de Amstel, ten zuiden van het Amstelstation.

Ziehier een verslagje, ook te lezen op GVPZ:

“We kozen natuurlijk een heldere dag uit om, vergezeld van fotoapparatuur, van dit spektakel te kunnen genieten. Met een razend snelle lift waren we in een mum van tijd op de 34-ste verdieping en tevens hoogste, in gebruik zijnde, verdieping. In de prachtige Rembrandt Tower Boardroom werden we uiterst vriendelijk ontvangen door de sales manager die ons ruimschoots de tijd gaf om te kunnen genieten van het uitzicht en om te fotograferen. De foto’s zijn gemaakt door Alphons Nieuwenhuis en Jos & Jenny Wiersema.  Dit willen natuurlijk ook u niet onthouden. Er zijn ongeveer 60 foto’s in een video geplaatst die u op uw gemak kunt bekijken. ”

Dit alles werd mogelijk gemaakt door tussenkomst en bemiddeling van Richard Keijzer en het bedrijf Software Improvement Group. Met hartelijke dank hiervoor.

Plaats reactie

 

 

 

 

1000 tekens te gebruiken.

 

 

Beveiligingscode Vernieuwen

Reacties  

# RE: UITZICHT: Een blik op Plan Zuid — Saskia 09-03-2014 19:16

Bedankt dat ik mee mag genieten!

Antwoorden | Antwoorden met citaat | Citeer

# RE: UITZICHT: Een blik op Plan Zuid — Max.C.van der Glas. 09-03-2014 09:01

Wat een schitterende foto reportage,mijn complimenten ! Heb genoten !!

Antwoorden | Antwoorden met citaat | Citeer

Uitvaart Hil

Vanwege de bijzondere betekenis die onderstaande gedichten hebben gehad in mijn vriendschap met Hil (zie ook mijn vorige bericht) heb ik ze gisteren (6 februari 2014) tijdens haar uitvaart voorgelezen. Een bijzonder sprekend portret van haar was achter het spreekgestoelte geprojecteerd, en ik voelde dat ze met haar lieve lach meeluisterde…

Amsterdam in april 101
hoe groot het is…

RIVIERENBUURT

Vanavond op de kaart gezien waar ik

het kind van ben. Hoe groot het is.

 

Wie niet begrijpt wat eenzaam is

moet daar een keer uit dwalen

gaan. Liefst na de laatste tram.

 

Pleinen over, waar portieken

gapen, stapels erkers zij aan

zij verrijzen in de nacht –

was Kafka architect geweest,

dan had hij dit bedacht:

toekomst veranderd in

verlatenheid. Nieuw in oud.

 

Wie niet begrijpt wat eenzaam is

moet daar een keer uit dwalen gaan.

Of thuis onder de lamp.

 

voorjaar en zomer 2010 168
waar je verjongd weer uitstapt…

ROOSEVELTLAAN

De Gouden Eeuw is bordkarton, dan wel

papier-maché. Weg hier, alsjeblieft.

Snel, daar komt lijn vier al aan!

 

Neem hem met mijn ogen dicht,

niet geel of grijs, maar oud

en blauw en bonkend, zingend

 

met zijn kopstem in de bocht.

Een ode aan de grote boulevard

waar je verjongd weer uitstapt.

 

Waar rijen populieren trouw

op wacht staan en rozenbedden

liggen met gesprongen veren

 

vol cellofaan en hondenkwijl.

Waar ik verjongd weer uitstap

en geniet van de natuur.

 

Amsterdam in april 100
waar tegels overgaan in regels…

 STICHTSTRAAT

Hoorbaar de stilte

wanneer je stappen

overgaan in regels.

 

Als grind dat ruist

in deze huizenhoge

zee van tegels.

 

Als kinderstemmen

verwaaid in de tuin

om je geboortehuis.

 

Of muziek verstomd

hoog op balkons

aan vestingmuren

flat genaamd.

 

Of als het landje

waar je speelde:

voorgoed bekleed

 

met steen. Waar nu

alleen nog tegels

overgaan in regels.

 

005
en dan de allerzwartste Amstel over…

ZORGVLIED

Kon als kind de slaap nooit vatten

in de zomer. Te veel licht. Te veel

muziek beneden in de tuinen.

 

Van wat daarachter lag te rusten

voornamelijk vermoeden, vertaald

in ijzeren ledikantjes met

bemoste lakens. Altijd koel.

 

Nu is het donker, hoor je alleen

het dwarrelen van blad – en toch

de slaap niet kunnen vatten?

 

Wat moet het heerlijk zijn je na

de val van verf en roest één keer

nog in te laten stoppen!

 

Je nog eens om te draaien en dan

de allerzwartste Amstel over.

 

PG

(Uit Antiek Fluweel, AP, 1997)

Hil

Op een aantal fotos’s gemaakt bij de presentatie van mijn tweede Amsterdamse roman De zomer van Icarus in oktober 2010 staan twee vrouwen die er niet meer zijn: Marian Boyer over wie ik eerder schreef en Hil Oosterveld, aan wie ik toen het eerste exemplaar heb aangeboden en die gisteravond is gestorven.

Hil had in 2009 al een zwaar herseninfarct gehad dat haar lichamelijk ernstig beperkt heeft, hoewel ze tot het einde toe een bruisend sociaal en intellectueel bestaan is blijven leiden.  We zagen elkaar niet veel maar ze heeft een belangrijke rol in mijn leven gespeeld, met name rondom de totstandkoming van mijn twee Amsterdamse boeken en tijdens de literaire wandelingen die in het verlengde daarvan werden gehouden. Daarnaast was ze een goede en grootmoedige vriendin.

het eerste exemplaar van De zomer van Icarus voor Hil

Merkwaardig genoeg – maar is het achteraf wel zo merkwaardig – belde ze me een week of twee geleden om te zeggen dat mijn geboortehuis (Stichtstraat 1) te koop stond. Ze had me in geen jaren meer gebeld, gesprekken voeren was allang geen vanzelfsprekendheid meer voor haar, en nu kwam plotseling dat telefoontje in de loop waarvan we afspraken dat ik komend voorjaar weer eens met haar naar de Stichtstraat toe zou wandelen. Daar zal het niet meer van komen, al ben ik wel van plan daar tegen die tijd een bloem in de buurt van haar oude huis neer te leggen. Ze verdient het en ik ben haar dankbaar voor dat laatste, onverwachte gesprek dat de afgelopen dagen in mijn achterhoofd heeft nagegonsd, haar manier, zo vermoed ik, om mij vaarwel te zeggen.

Herfst 1989. Ik parkeer mijn auto in de Stichtstraat om verderop met lijn vier naar de stad te gaan. Op hetzelfde moment komen uit de hoekwoning tegenover mijn geboortehuis (zuidzijde) drie mensen: Tiny en Arpe Spikman, die ik ken uit Zwolle, en een mevrouw die aan mij wordt voorgesteld als Hil, Hil Oosterveld. Een aardig iemand, toevallig op mijn pad gekomen.

Herfst 1997. Hil belt me naar aanleiding van mijn pas verschenen gedichtenbundel Antiek fluweel (met een hele afdeling gewijd aan Amsterdam-Zuid erin) en vraagt me of ik haar een tiental exemplaren kan komen brengen.  Die wil ze gesigneerd aan haar vrienden en kennissen cadeau doen. De zondag daarna zoek ik haar met een stapeltje bundels op in het huis tegenover mijn geboortehuis. We praten, drinken wijn en bezoeken als de schemer invalt Käthi en Edwin Rottenberg, de ouders van mijn oude buurjongen Felix en zijn jongere zus Sandra. Een ongelooflijk hartelijk weerzien, overgoten door een prachtige oude port. Mijn emotionele terugkeer naar Amsterdam is een feit, de breuk gelijmd – dankzij Hil.

Amsterdam 9 juli 2006 104
Het huis van Hil in de Stichtstraat, Amsterdam-Zuid

Niet voor niets heb ik haar een sleutelrol gegeven in De zomer van Icarus, waarin ze Maud Eijlander heet. Wie haar goed kende, zal haar in een oogopslag weer voor zich zien. Vandaar overigens ook dat eerste exemplaar.

Wat onze vriendschap op een grappige manier bijzonder maakte, was dat Hil, zoals gezegd, tegenover mijn geboortehuis woonde en dat ik in Zwolle woonde – en nog steeds woon – in de buurt waar Hil is opgegroeid, vlakbij een openluchtbad dat de Zwolse versie is van het De Mirandabad… Ik behoorde, zoals Hil het noemde, tot de ‘Zwollinezen’ onder haar vrienden en bekenden.

Door Hil leerde ik weer anderen kennen, met name haar buren Pauline Wesselink en Rudy Schreijnders, waarvoor ik haar bij deze nog eens dank. Het gevoel nooit te zijn vertrokken uit de Stichtstraat is hierdoor versterkt.

Hil las veel, ondernam veel, haar huis stond altijd open, net als haar geest. Ze leefde in mijn ogen het leven van een ondernemende weduwe terwijl ze van niemand de weduwe was, en ik denk dat daarin ook een fundamentele eenzaamheid school die haar zeker niet ongelukkig maakte maar die ze wel onveranderlijk te lijf moest met haar vele passies. Dat alles heeft haar aanwezigheid hier zinvol en kleurrijk gemaakt, en het feit dat ze volop voortging na het ongeluk dat haar vier jaar geleden trof, getuigt van grote moed en een sterke persoonlijkheid.

Haar ziel had geen beter moment kunnen kiezen om weg te vliegen, en toch voel ik vandaag de pijn van haar verdwijning.

En ik ben vast niet de enige.

PG

STICHTSTRAAT

Voor Hil

Hoorbaar de stilte
wanneer je stappen
overgaan in regels.

Als grind dat ruist
in deze huizenhoge
zee van tegels.

Als kinderstemmen
verwaaid in de tuin
om je geboortehuis.

Of muziek verstomd
hoog op balkons
aan vestingmuren
flat genaamd.

Of als het landje
waar je speelde:
voorgoed bekleed

met steen. Waar nu
alleen nog tegels
overgaan in regels.

Nominatie Augustusland

boek
Één groot gedicht! – Kader Abdolah

ZWOLLE – Op de shortlist van het beste boek van Overijssel 2013 staan zeven werken uit de regio Zwolle. De twee winnaars worden op 13 maart bekend gemaakt in het Historisch Centrum Overijssel.

Genomineerden onder de non-fictie-boeken zijn: 80 jaar in Zwolle, van Joop van Putten; Aanzeggen, rouw- en begrafenistradities in Staphorst, van Dirk Kok; De Bedelaarskolonie de Ommerschans, van Will Schackmann; IJsseldelta, van Jan Gulikers en Ad van Halem; Veemarkt Zwolle 1984-87, van Gerard Kuster.

Genomineerd in de categorie fictie zijn:
Paul Gellings. Augustusland : roman. Gro-ningen: Passage – In een raamvertelling blikt de hoofdpersoon terug op een bewogen zomer, vijftien jaar geleden (1997). Hij werkte toen als conservator in een middelgroot kunstmuseum en nam een maand verlof op om zich voor te bereiden op een overzichtstentoonstelling van eigen werk.
In die maand liep alles tegen.

Ria Lazoe. Gevangen vogel. Hasselt ; Amsterdam: Clavis – De 13-jarige Nina ziet in de zomer van 1944 hoe haar ouders worden weggevoerd door de Duitse bezetters. Nina worstelt met de gedachte dat haar vader mogelijk in een driftbui een verzetsstrijder heeft gedood. Gedurende de laatste oorlogsmaanden maakt ze veel mee, van verzetsdaden – waar ze zelf ook ongemerkt deel van uit gaat maken – tot molestatie door NSB’ers.

Christine Otten. Om adem te kunnen halen.  Amsterdam: Atlas Contact – De schrijfster besluit haar eigen familiegeschiedenis te onderzoeken. De aanleiding is het hernieuwde contact met haar vader die al zolang zij zich kan herinneren last heeft van psychische instabiliteit. De problemen van haar vader hebben zo’n stempel gedrukt op haar jeugd dat ze er niet goed mee om weet te gaan.
Joris van Casteren. Het been in de IJssel. Amsterdam: Prometheus – In 2005 wordt er bij Wijhe een been in de IJssel gevonden, maar de eigenaar blijft een aantal jaren onbekend, totdat jaren later blijkt dat het van een Duitse man is die in Düsseldorf van een brug af is gesprongen. Het been blijft de schrijver fascineren en hij voert een grootscheeps onderzoek uit.

foto (1)
Augustusland gooide al eerder hoge ogen

Almar Otten. Jeugdzonde. Amsterdam: Luitingh-Sijthoff –  De diefstal van een archiefstuk over Spinoza, de ontvoering van een televisiepresentator en de moord op een politicus blijken verband te houden met elkaar. Deze thriller is de derde met historica Lineke Tesinga en haar vriendin Laura in de hoofdrol. Een bijzonder spannende pageturner die zich afspeelt in Deventer en omgeving.
Judy Westerveld. Strak plan.  Amsterdam: Luitingh-Sijthoff –  Westerveld veegt de vloer aan met haar personage Roel. De man heeft zo’n bord voor zijn kop en is zo zielig dat hij het bijna verdient wat hem overkomt. Donny, die door Roel wordt neergezet als domme junk, is uiteindelijk zeer geraffineerd in het plannen en uitvoeren van zijn wraak.
Jaap van Gelderen. Een dadel uit Marakesh : op reis met de jonge schilder Hendrick Avercamp. Kampen: Van Gelderen – Nazomer van het jaar 1605. De kunstenaar gaat per schip vanuit Amsterdam zijn moeder Beatrix bezoeken in Kampen. Aan boord van een deftig gezelschap, waardoor hij in  aanraking komt met het rooms-katholieke milieu in Kampen.
A.L. Snijders en Erik Harteveld. Koude oorlog aan de IJssel. Enschede: AFdH Uitgevers – De IJssellinie is een verdedigingswerk uit de tijd van de Koude Oorlog. Tussen 1950-1968 wist bijna niemand dat deze waterlinie ons moest beschermen tegen de Russen. A.L. Snijders en Erik Harteveld schreven er samen een roman in brieven over.

 

Signeersessie

avondrood met as 003
Het heerlijk avondje is gekomen…

En morgenavond signeer ik mijn boeken van 7 tot 9 uur bij Blauwdruck (zie vorig bericht), de wereldgalerie op de Grote Markt, Zwolle, waar alles made in Zwolle is: ook het sinterklaasgedicht dat potentiële lezeressen en lezers van mij kunnen krijgen. Handgeschreven en ter plekke! Kan tevens worden gebruikt als boekenlegger.

Voorbeeld voor een geliefde

Voor jou dacht Sint aan hoog niveau

Met zorg uitgezocht

bij Blauwdruck onverwijld gekocht

deze roman, een hartscadeau

 

Voor een vriend(in)

Een mooi boek heeft van goede wijn de glans

Sint schenkt het met plezier

en wenst je bij het lezen veel vertier

AUGUSTUSLAND
Waar Sint al niet van droomt…

drink met mate maar lees je ongans

 

Voor een familielid

Sint voelt zich met jou intens verbonden

en heeft dit boek van Gellings uitgekozen

ter stichting en verpozen

met Piet en paard jou toegezonden

 

Hopelijk tot daar en dan op 4 december!

PG

Blauwdruck geopend

CIMG1355
Feestelijke opening van Blauwdruck door de firma Weijland

Het hart van een stad begint pas echt te kloppen als je er een concentraat aantreft van kunst en cultuur en ook nog eens heden en verleden elkaar de hand reiken. Aan de voet van de Grote Kerk aan de Grote Markt in Zwolle is dat het geval.

Daar, in wat ooit een gildehuis is geweest en waar in recentere jaren het VVV-kantoor was gevestigd, is afgelopen zater-dag Blauwdruck geopend, winkel en galerie tegelijk, een haven en huis voor alles wat zich ‘made in Zwolle’ mag noemen en mooi is. Met de oude spelling in de naam wordt de tijd overstegen, net als wat goede kunst doet en het blauwe erin – ja, dat verwijst natuurlijk naar het woord blauwvingers waar de Zwollenaren mee worden aangeduid.

De drijvende kracht achter dit geheel is Jorien van Vilsteren, die eerder een galerie in Berlijn dreef en nu haar ervaring en passie wil inzetten voor dit initiatief. En zo kwam het dat op zaterdag 9 oktober jongstleden Blauwdruck werd geopend met een feestelijk en stemmig optreden van muziektheater de Firma Weijland, o.m. Jack Weijkamp met een mijmerende bons op een grote trom en Lucy Legeland met temperamentvolle zang en dans. Dat gebeurde binnen maar ook buiten, waar goudomrand herfstweer het evenement extra glans gaf.

Wat vinden we allemaal in Blauwdruck? Teveel om op te noemen: strips, schilder- en tekenwerk, anderssoortige kunstobjecten, het meeste hoe dan ook speels en zonder uitzondering kwalitatief hoogwaardig. Ook de literatuur – dwz. schrijfsels in het Zwolse gemaakt waaronder een paar gesigneerde exemplaren van mijn eigen boeken – is vertegenwoordigd. Ik vertel er verder niets over, wat vanzelfsprekend bedoeld is om lezer dezes aan te moedigen er snel zelf heen te gaan en de boel leeg te kopen. Gastvrouw Jorien zal in elk geval een ieder vriendelijk en enthousiast te woord staan.

 

PG

Kijken in Kiek-Kus

Iedere stad van enige betekenis dankt haar ziel aan de gaten in de tijd die je er aantreft en die je een heel andere, parallelle werkelijkheid inzuigen – als je daar tenminste gevoelig voor bent.

Zo heb je in Deventer een zijstraat van de Brink die de consumptieve voorbijganger smullend van kibbeling of softijs niet zal opmerken maar waar het verleden als een zinderende zilverader ligt opgeslagen. De straat kronkelt eerst wat omlaag en dan omhoog waar zij in een lus om de oude Bergkerk komt te liggen. Daarachter, in een hoek, nog zo’n gat, nu een trap weer naar beneden (doet denken aan de buurt Montmartre in Parijs), een steeg, een straat en je wandelt opnieuw door het hier en nu.

Cargelli & Rita Kok 004
Links weefwerk Rita, rechts ontwerp Carl

Je kunt ook teruglopen, rondje om de kerk, dan de Roggestraat weer in en ten slotte op nummer 16 galerie Kiek-Kus binnen-gaan, gevestigd in een voormalige smidse met als hart een molensteen op de vloer, die niets van haar oorspronkelijk karakter heeft verloren. De tentoonstelling ‘Haute-Couture en Textielkunst’ die er momenteel wordt gehouden (van 7 september t/m 5 oktober) blijkt zelfs wonderwel te harmoniëren met de geest van vroeger die dit oude pand maar niet wenst te verlaten. Een expositie bestaande uit ontwerpen van Cargelli (mijn oom Carl Gellings, een van de ‘jonge’ honden en helden van naoorlogs, kunstzinnig Rotterdam) geïnspireerd op weefwerken van Rita Kok.
Wat opvalt, is hoe geraffineerd het spel van lijnen, vlakken en kleuren in het werk van Rita Kok terugkomt in de flamboyante tekeningen van mijn oom.

Cargelli & Rita Kok 016
zuchtje wind, bewegende lijnen en dames…

Die laatste zijn feitelijk even zovele hand-tekeningen, altijd eenogige en eenbenige dames die je in één vloeiende lijn tegemoetspringen, altijd elegant en kleurig gekleed, niet zelden overigens zonder hoed. Ze zijn ook verre van verminkt. Nee, mijn oom verstaat de kunst van het weglaten net als een dichter of een schrijver die aan één, twee pennenstreken voldoende heeft om een sfeer dan wel personage op te roepen.
Een vergelijkbare doelmatige soberheid, kleur-gebruik en poëzie zie je in de weefsels van Rita Kok, en dat zal mijn oom hebben aangesproken. In zijn inleiding tijdens de opening op 7 september jl. sprak Eef Brouwers over het lijnenspel in het werk van Rita Kok, waarvan de beweging hem ontroerde. Toevallig streek een zuchtje wind door de draden achter Brouwers, die een tel trilden en zo zijn emotie en waardering aanschouwelijk maakten. En de dames van Cargelli keken toe, zagen dat het goed was en knipoogden. Gaat dat zien.

PG

Schrijven op Schier

 

de herfst van Icarus 026
Voorpret voor Schier; ‘we hopen op een lauw en luw september’…

Cursus Schrijfunie (VU/Bibliotheek Groningen) met Paul Gellings

Op vrijdag 27 september geeft schrijver en dichter Paul Gellings een schrijfcursus op Schiermonnikoog. Uitwaaien, genieten en de geest leegmaken. Zo ontstaan de meest verrassende gedachten.

Laat je onder begeleiding van een schrijver inspireren door Schiermonnikoog. Waai uit op het eiland. Geniet van het landschap, de ruimte, het strand, de zee. Om iets verrassends te kunnen denken, moet de geest min of meer leeggemaakt worden. Opmerkzaam, maar niet vol, dat is het beste. Er is geen knop om je hoofd in die stand te zetten, maar door de duinen wandelen, over het wad uitkijken, de vogels horen en gedichten en verhalen lezen, dat helpt wel.

“Wij zijn een eiland en op doorreis”, luidt een versregel van Gellings. Naar die sensatie gaan we op zoek, in taal en omgeving, totdat er een tijdloze dag ontstaat.

Paul Gellings (Amsterdam, 1953) schreef vier dichtbundels en zes romans waarvan het kortgeleden verschenen Augustusland door Kader Abdolah werd omschreven als ‘één groot gedicht’. Ook vertaalde en publiceerde hij gedichten van Rutger Kopland in het Frans. Daarnaast is hij docent Franse taal en letterkunde en creatief schrijven.

Aanmelden

De cursus duurt een hele dag op Schiermonnikoog. Het vertrek is vanaf hoofdstation Groningen. Daar wordt om 8.00 uur verzameld bij lijn 163. Deelname kost € 98,-. Dit is inclusief bus-boot-busreis. Opgeven kan op www.vugroningen.nl/schrijfunie

Daar is ook meer informatie over de cursus te vinden.

Bibliotheek Groningen, Oude Boteringestraat 18, 9712 GH Groningen, T (050) 368 36 83. http://www.mijneigenbibliotheek.nl/

Marian Boyer overleden

HET LOEMPIATHEATER

In memoriam Marian Boyer (1954-2013)

Een paar dagen geleden, ’s avonds laat, zat ik wat foto’s te bekijken, om terecht te komen bij de presentatie van De zomer van Icarus door mijn vriendin en collega Marian Boyer, herfst 2010. Op een daarvan staan we samen enigszins lacherig en ik dacht: wat ben je mooi. Nu moet ik – met een steek in mijn borst – zeggen: wat was je mooi.

En grappig. de herfst van Icarus 004

Want met Marian kon je lol hebben. We hadden naar analogie van Het lelietheater van Lulu Wang het zogenaamde Loempiatheater opgericht. Een rondreizend literair circus. Marian dompteuse onder de naam Elly van Vooren en ikzelf opperspreekstalmeester Dimitri de Boer. Onder die namen – snel afgekort tot El en Diem – hebben we ook lang gecorrespondeerd, en Marian sloot haar missives aan mij steevast af met zweepslagen: klatsj, klatsj.

Ik vond ook dat ze prachtig schreef en gelukkig heb ik dat meermalen breed kunnen uitmeten, toen we de tijd nog hadden. Zo roept ze ergens in haar bundel Een kleine storm het beeld op van de branding bij vloed als een gruwelijke, schuimbekkende god – een beeld zo raak en krachtig dat ik het nu ik eraan terugdenk zo weer voor me zie. Marian was in de hedendaagse letteren een van de weinige ware stilisten, wars van op makkelijk succes mikkende modes, altijd uitgaand van haar eigen innerlijke noodzaak. Geen enkel verband dus tussen haar en andere auteurs uit de theater- dan wel mediawereld, die ook eens willen scoren met een vlot boek. Nee, ze was een echte schrijfster en bij tijden, in haar taalbehandeling, een subtiele dichteres.

Van de actrice Marian Boyer ken ik maar twee dingen: haar rol in Spetters uit de jaren tachtig (waarin ik, hoe goed ik ook kijk, Marian zoals ik haar had leren kennen maar ternauwernood herkende) en haar rol in Dennis P. (over de gelijknamige, roemruchte diamantrover). In die laatste film speelt ze een volks type, in strak hemelsblauw gehuld, naar aanleiding waarvan ze me toevertrouwde dat ze die rol alleen had willen aannemen als ze hetzelfde pakje als Jackie Brown in de film van Tarentino mocht dragen. Volgens mij had ze dat niet als grap bedoeld, hoewel haar eis natuurlijk wel iets humoristisch had.

Een andere dierbare herinnering bewaar ik aan de stoottroep die wij begin 2010 even hebben gevormd toen onze (mijn toenmalige) uitgever de ene blunder op de andere stapelde en we het idee kregen dat Nederlandstalige schrijvers en dichters steeds meer op een zijspoor werden gerangeerd. In de correspondentie die wij voerden met de uitgeverij – waar het angstzweet tappelings zal hebben gevloeid – was Marian ongemeen fel, hoorde je bijna het borrelen van haar kokende Indische bloed, en leerde ik haar ook nog eens kennen als iemand met een groot rechtvaardigheidsgevoel. de herfst van Icarus 025

Wat mij, afgezien van haar dood, heel treurig stemt, is dat haar werk bij lange na niet af is. Ik denk dat er nog zeker tien romans en vijf verhalenbundels in hadden gezeten, want ze was gigantisch productief. Kijk maar naar haar weblog. Ja, ze schreef in een hoog tempo, maar altijd puntig, ieder woord stond bij haar altijd onvervangbaar op zijn plaats.

Ik schrok vanmorgen (17 juli 2013) bij het zien van haar overlijdensbericht. Het is nog te vroeg voor grote woorden over gemis en leegte – dat alles zal later toeslaan – maar ik wens voor nu Gerard en alle anderen die Marian na aan het hart lagen veel troost en wijsheid.

 

PG

Groningse presentatie Augustusland

Zoals eerder aangekondigd zal de Groningse presentatie van mijn jongste boek Augustusland plaatshebben op zondag 12 mei in de sfeervolle burelen van Uitgeverij Passage gevestigd in Het Paleis, Boterdiep 117, Groningen. Inloop 15.00 uur, aanvang presentatie 15.30 uur.

Gertjan Aalders, docent storytelling en creative writing  aan hogeschool Windesheim, zal met mij in gesprek gaan, o.m. over kunst en wetenschap, het thema van deze ‘culturele zondag’ in Het Paleis.  Na afloop is er gelegenheid het glas met mij te heffen en na te praten.

Iedere belangstellende is bij deze van harte uitgenodigd.

Voor wie het feest in De Atlas op 19 april moest missen of het daar vanwege de overweldigende belangstelling te vol vond, nu deze wat kleinschaliger bijeenkomst op een rustige locatie.

Zie voor meer achtergronden en een impressie van 19 april het op 28 april uitgezonden tv-interview met Peter Schoof.

Augustusland in zicht!

Zoals eerder aangekondigd, zal de presentatie van mijn nieuwe roman Augustusland plaatshebben op vrijdag 19 april vanaf 17.00 uur, alleen niet in het Stedelijk Museum Zwolle, maar in het sfeervolle Drank & Spijslokaal De Atlas, Ossenmarkt 9, 8011 MR Zwolle (nabij Q-Park Maagjesbolwerk), tel. 038 344 74 35. Sprekers: Kader Abdolah en Rana Berends. Muziek: Ella Meeuwsen op saxofoon!

Op 20 april van twee tot vier in de namiddag signeer ik het boek bij boekhandel Barth te Meppel, een van de mooiste boekwinkels van Noord-Nederland. Voor wie de negentiende verhinderd is en/of deze boekhandel met zijn grote hart voor de letteren eens wil bezoeken.

En er zal nog een derde gelegenheid zijn waarbij het boek, uiteraard met een goed gesprek en een voordracht, zal worden gepresenteerd, en wel tijdens de Culture Zondag 12 mei aanstaande in Het Paleis, Groningen, bij mijn uitgever. Aanvang 15.30 uur. Voor nadere berichtgeving: uitgeverij Passage. Wordt vervolgd.

Ziehier bij wijze van appetizer het introductiefilmpje, zeer kunstig gemaakt door mijn zwager Henk Overweg.

 

Kader, Rana, Ella

Inmiddels heb ik schrijver Kader Abdolah en schilderes Rana Berends, met wie ik al heel lang bevriend ben en wier werk ik bewonder, bereid gevonden te spreken op de presentatie van Augustusland op 19 april. De muziek op 19 april zal worden verzorgd door de talentvolle, jonge saxofoniste Ella Meeuwsen (13). Een gelukkig gesternte.

Raan
Zelfportret van Rana Berends. Mooi Droste-effect.

Als motto van het boek heb ik een gedicht gekozen van de Perzische dichter Ahmad Shamlu, wiens werk ik dankzij Kader heb leren kennen. We hebben in de jaren negentig samen veel van Shamlu in het Nederlands vertaald, wat ook voor een deel de grondslag heeft gelegd voor onze vriendschap.
Ziehier het motto van Augustusland:

NOCTURNE

Een poort
is er niet
een weg
is er niet
er is geen nacht
geen maan
dag
noch zon
is er
buiten de tijd staan wij
verbittering vlijmt in de lendenen.

Niemand
praat
met elkaar
alleen de stilte
spreekt
met duizend tongen.

Ahmad Shamlu (Nederlandse vertaling van Sharog Heshmat Manesh)

kader
Boekenweek 2011. Met Kader Abdolah ‘in gesprek’.

Kader, in wiens romans, de poëzie altijd een hartig woordje meezingt, zal iets vertellen over de rol van de poëzie in mijn proza.
Van haar kant heeft Rana, die met haar penseel in mijn ogen een rasvertelster is, mij beloofd zich uit te spreken over de rol van de schilderkunst in wat ik schrijf. Ik ben benieuwd. Iedere herfst maken zij en ik een reis en staan vaak samen hardop te dromen bij stadsgezichten en/of schilderijen.
Saxofoniste Ella Meeuwsen heeft mij al veelvuldig meegesleept met haar weergaloze, donkerbruine spel dat ook, zo weet ik zeker, perfect zal passen bij de sfeer van Augustusland!

PG

Ella
Ella Meeuwsen in actie

Poëtische rondleidingen 2

Tot drie keer toe heb ik gisteren – Landelijke Gedichtendag, 31 januari 2013 – in het Groninger Museum gedichten voorlezend bij de stemmige schilderwerken van de tentoonstelling Nordic Art een aandachtig en beschaafd gehoor tegenover me gehad.

Eén ronde was zelfs geheel uitverkocht, wat niet wegnam dat er wat ‘verstekelingen’ aanhaakten. Al met al zal ik over de hele dag tussen de zestig en zeventig man hebben toegesproken.

Het was een bijzondere ervaring, waarbij mijn regels een harmonieus amalgaam aangingen met de beelden op de doeken. En het mooie was ook dat het publiek iedere keer weer in staat bleek zich tegelijk op het schilderij en het door mij gekozen gedicht te concentreren.

Hieronder een van mijn favoriete doeken, Koud bad van Eugène Fredrik Jansson uit 1911.

bad
Foto: Marieke van Nimwegen
Ik heb er het volgende gedicht bij voorgelezen

OPENLUCHTBADBLUES

Voor Ron van den Berg

Niets weemoediger dan dit verwinterd zwembad
zo aan het einde van een zondag zonder sfeer,
niet meer licht en evenmin al donker wanneer
je plotseling die blinde vlek ziet in de stad.

Geen beter beeld van het verloren paradijs
dan dit in zichzelf gekeerd en kleumend lustoord
met zijn loketten dichtgespijkerd naast de poort
en op de bodems zelfs een laagje blad met ijs.

Alleen níet het ijs dat wordt verkocht op dagen
vol geurend groen en hoge temperaturen,
wanneer je kaartspeelt bij schaduwrijke hagen

en de zomer bijna eeuwig lijkt te duren.
Je duikt, zwemt, je laat je hier niet gauw verjagen
en ziet steeds de badman in Gods water turen.

PG
(Uit Voorbij de eerste stad, 2007)

Poëtische rondleidingen

Tot 5 mei dit jaar wordt in het Groninger Museum de tentoonstelling Nordic Art gehouden, Scandinavische schilderkunst van 1880-1920.

Al bevindt dit werk zich op een draaischijf van stijlen en stromingen – romantiek, realisme, symbolisme, impressionisme – het museum is erin geslaagd een opmerkelijke eenheid van toon in het geheel aan te brengen. De wereld en het leven worden niet mooier gemaakt dan ze zijn, maar zeker ook niet donkerder en desolater. Nu eens is er sprake van rauwheid, dan weer worden we verrast door iets lieflijks. Ook de onderwerpen zijn divers: interieurs, landschappen, portretten en een enkel stilleven.

baai
De baai – Carl Wilhelmson. Foto: Jenny Eva Maria Thornell

Het museum heeft mij gevraagd om op 31 januari, Gedichtendag 2013, poëzie voor te lezen die aansluit op de tentoonstelling. De bedoeling is dat ik dat tijdens een rondleiding langs de schilderijen doe, per zaal een of twee gedichten met een duidelijke verwijzing naar wat daar hangt.
Dat leek aanvankelijk een lastige opdracht, maar lang hoefde ik niet te zoeken. Ik heb er altijd naar gestreefd te schilderen met woorden, o.m. in aantal landschapssgedichten. Naast werk van mijzelf zal ik een paar verzen van Rutger Kopland voorlezen, ook op zijn manier dikwijls een landschapsschilder.
Mijn rondleidingen/ voordrachten zullen op 31 januari plaatshebben om elf uur ’s ochtends en om twee en vier uur ’s middags. Zo’n rondleiding zal twintig minuten à een half uur duren. Ziehier een voorbeeld van wat ik ga voorlezen, uit De stem van de herfst (2004):

Achter de horizon

Voorbij de laatste tuinen begint de aarde
te glooien onder een leger van maïs.
Dan aardappelvelden als vergeten

matrassen op braakland, populieren
en vlieren, de spoorlijn, een akker
waar het graan van af is geslagen.

Over de laatste weiden drijft nevel
mijn kant uit en daarachter al
is het september, zakt de zon

in daken, in muren, tussen
hekken die staan te roesten
aan de andere kant van de stad.

Daar slapen mijn vrienden
onder hun stenen. Ze komen
niet terug. Ze komen alleen

terug als ik slaap en niet
weet dat ik slaap. In het
donker, achter de horizon.

PG

Magisch bibliotheekgedicht 2

En waar was het allemaal om begonnen op 29 november 2012? Juist – om een flitsmenigte! Ziehier de beelden en klanken van die bijzondere namiddag in de bibliotheek Zwolle, en nogmaals het gedicht. Gelukkig 2013.

MAGIE

Hoor hoe er zomaar ineens een verhaal
kan beginnen met een ritselend blad
in deze magische burcht, deze stad
opgetrokken uit gedachten en taal.

Let op het eigen leven van de boeken,
dat zo aangenaam behekste papier
dat je verleidt en je buiten het hier
en het nu naar iets anders doet zoeken.

Vergeet het geschreeuw in de straten
of de dogma’s gestold in je hoofd
waarin je al te lang hebt geloofd –

maar sta toe dat de pagina’s praten
want als niets of niemand tevoren laten
zij je beleven wat je ooit was beloofd.

PG

Nieuwe roman

boek
Omslagontwerp: Ruurd de Boer

De verteller van mijn nieuwe, in april 2013 bij Uitgeverij Passage te verschijnen roman, een tekenaar en tegelijk museumconservator, heeft vanwege minder prettige ervaringen in de zomer altijd op gespannen voet gestaan met dit seizoen, maar hij herinnert zich één zomer die in heftigheid alle andere heeft overtroffen. Zijn vrouw in kritieke toestand in het ziekenhuis, groeiende vijandigheid op zijn werk en de vraag: hoe straks in m’n eentje verder met twee kleine kinderen, zonder toekomst?

Een verhaal over medisch falen, haat, jaloezie, opportunisme, botsende artistieke opvattingen in de museumwereld en pogingen te overleven tijdens een zomer waarin werkelijk alles tegenzit. Ook volgt de lezer bij tijden een mysterieuze wandelaarster door een niet minder mysterieuze landstreek. Vijftien jaar later kijkt de hoofdpersoon op dit alles terug vanuit een onbestemd gevoel van rouw en gemis waar hij al vertellend steeds meer inzicht in verwerft.

Een confrontatie tussen broosheid en slechtheid, tussen een man die op het punt staat alles te verliezen en een vijandig werkklimaat, die wellicht enige herkenning zal opleveren. Wordt vervolgd.

PG

 

Magisch bibliotheekgedicht

Met de Bibliotheek Zwolle heb ik altijd sterke banden gehad. In 1987 had ik er onder leiding van Tom van Deel samen met Rutger Kopland een forumdiscussie over poëzie vertalen en in 2005 voerde ik in het bibliotheekcafé campagne voor het stadsdichterschap van Zwolle, een smadelijke avond waarop niemand zich aan mijn zijde wenste te scharen – maar ik ben toch uiteindelijk zegevierend uit de strijd gekomen… Ik heb in deze bibliotheek nog veel vaker opgetreden en voorgelezen, altijd even hartelijk ontvangen, en in 2007 kwam mijn gedicht Magie (zie onder en ook ‘portfolio’ op deze site) op een prominente plek in de intredehal te hangen. Binnenkort – 29 november, 15.30 uur – treed ik er weer op. Iedereen is welkom. Wie wil komen op 29 november en daarover contact opneemt met Geert van der Wal (G.van.der.wal@bibliotheekzwolle.nl) wacht bovendien een spectaculaire verrassing. Hopelijk tot daar en dan. Voor nu veel luister- en leesplezier! PG

MAGIE

Hoor hoe er zomaar ineens een verhaal
kan beginnen met een ritselend blad
in deze magische burcht, deze stad
opgetrokken uit gedachten en taal.

Let op het eigen leven van de boeken,
dat zo aangenaam behekste papier
dat je verleidt en je buiten het hier
en het nu naar iets anders doet zoeken.

Vergeet het geschreeuw in de straten
of de dogma’s gestold in je hoofd
waarin je al te lang hebt geloofd –

maar sta toe dat de pagina’s praten
want als niets of niemand tevoren laten
zij je beleven wat je ooit was beloofd.

Nieuwe masterclass met Verbrande schepen

Gellings’ jongste roman Verbrande schepen: een broeierige zoektocht in het verleden en rondom een oude haven…

Hogeschool Windesheim heeft er wederom voor gekozen Paul Gellings een masterclass te laten geven aan studenten journalistiek als aanvulling op hun opleiding. De masterclass zal plaatshebben op woensdagavond 31 oktober; de vorige editie had plaats in juni en leverde, mede dankzij de flitsende samenwerking met dichter en docent Gertjan Aalders, veel onvermoed talent op. Ook deze keer zal Gellings’ roman Verbrande schepen als uitgangspunt dienen voor enige oefeningen op het gebied van de stilistiek. Alle deelnemers krijgen van Windesheim een exemplaar van het boek cadeau. Schrijver Paul Gellings staat bekend om zijn licht melancholische toon en zijn soms aan poëzie grenzende taalgebruik. In onderstaande passage blikt de verteller terug op zijn spoorloos verdwenen psychoanalyticus Baruch Cardozo :

Anderhalve maand na ons afscheid heb ik hem nog een keer ontmoet. Eind juli 1981. Hoogzomer en vroeg in de avond. Een straat vol terrassen schuin aflopend naar een brug en een gracht. Ik nader de brug, hoop aan de overkant van het water bekenden tegen te komen. Tussen de masten en de boten langs de kade doemen een man en een vrouw op.

  Zij wat jonger dan hij, welgevormd en met donkere krullen. Ze draagt een groot model zonnebril. Maar ook hij oogt jeugdig ondanks de pijp in zijn mond en zijn baard. Met zijn rode polo en een bermuda vol menievlekken ziet hij eruit als iemand die overdag een boot opknapt en het voor vanavond voor gezien houdt.

  Voordat ik de kans krijg hen aan te spreken, steken ze een terras over en gaan het donkere café erachter binnen. Ze zitten aan de bar als ik zelf in de serre ben neergestreken. Hij peinzend aan zijn pijp trekkend, zij met een spiegeltje voor een oog waarin een wimper dwarsligt. Ik vraag de serveerster het  stel aan de bar wat van me aan te bieden.

  Een minuut later zie ik Cardozo een schuimend vaasje naar me heffen. 

  Hij glimlacht. ‘Heb ik dat aan jou te danken?’

  Zij heeft haar zonnebril weer opgezet. Ze vragen niet of ik er bij kom zitten. Ze komen niet naar mij toe. Laat staan dat er een etentje met zijn drieën in zit. Hoe graag ik het ook wil, ik durf niet op hem af te stappen.

  Ik reken af en steek bij het verlaten van het café mijn hand naar hem op. Hij knikt me vriendelijk toe vanaf zijn barkruk, zoals alleen hij dat kan. Daarna heb ik hem nooit meer gezien.

 

 

 

Joop

Op vrijdag 7 september jl. vierde Joop van Ommen (62) zijn 25-jarig jubileum als directeur van de WRZV-hallen in Zwolle. ZV staat voor zaalvoetbal, maar in feite gaat het – voor wie Joop niet kent – natuurlijk om de daar gevestigde Herberg, de dak- en thuislozenopvang waarvan Joop al meer dan twintig jaar de drijvende kracht is. De krant die daarbij hoort is inmiddels van Daklozenkrant Herbergkrant gaan heten en is uiterlijk, inhoudelijk en redactioneel van een opmerkelijk hoog niveau. Kopen dus, zeg ik tegen iedereen die er iemand mee ziet staan bij een supermarkt of in een winkelstraat!
Terug naar Joop. Als ik zijn leven zou moeten samenvatten, dan zou ik het Het sprookje van de goede taxichauffeur noemen. Hij heeft dat beroep lang uitgeoefend en zo de straat en de stad als geen ander leren kennen, en zich er nooit bij neergelegd dat diezelfde straat en stad het enige thuis waren voor hen die het leven uit de koers had geblazen.
Het sprookje heb ik nog niet geschreven, wel een op Le bateau ivre (‘De dronken boot’) van Arthur Rimbaud geïnspireerd gedicht, met als thema: afglijden en thuiskomen (in De Herberg!). Het zal begin november verschijnen in een door Erna Ekkelkamp in opdracht van woningcorporatie Beter Wonen Vechtdal samengestelde canon van De Herberg, en het is uiteraard aan Joop opgedragen. Hieronder is het alvast te lezen.

Joop
Joop (midden) in zijn element. Foto Marcel Senz.

BALLADE VAN DE HERBERG

Voor Joop van Ommen

Al zo veel jaren zoekend naar een herbergier
troffen we aan het einde van een lange weg
iemand die ons zonder vragen naar de plek bracht
waar we ons verhaal probeerden te begrijpen.

Maar wanneer het ooit begon is niet te zeggen.
Er waren tekens van schimmel en betonrot
onder ons schedeldak en in onze levens,
die we verborgen, ontkenden of negeerden.

Levenspartner, kind en vriend en baas vervaagden;
alleen nog schimmen in de verlaten kamers
die zich met kapotte vuilniszakken vulden,
het stinkende gezelschap van vergooid bestaan.

Restte nog het huis dat allang geen thuis meer was;
niet meer dan een samenraapsel van wat muren,
een afgesloten telefoon, geen gas, geen licht,
nachten in een krul om een gedoofde kachel.

Niemand weet precies wanneer we zijn vertrokken;
een stem zei: ‘Die woning is niet meer te kraken.’
En plots lag daar de straat tot aan de horizon,
een rouwrand, een vergeten spooremplacement.

De een bouwde kaartenhuizen in portieken,
hazenlegers in het struikgewas van parken,
logeerde in hotel De blote Hemel waar
hij onder de verkeerde sterren wakker lag.

De ander zoog de geest van vruchtvlees uit een fles,
waarna zijn eigen geest zijn hoofd al snel verliet,
dubbelziende ogen die de grauwe rimboe
van de straten kleurden met een penseel van pijn.

En jij prikte naald na naald in het koningsblauw
van je langzaam tot kippenpoot gekrompen arm.
Je netvlies werd een mozaïek, je kreeg het warm
en toen weer koud in de tunnels naar de morgen.

En ik knokte om een sigaret of leugens;
ik verloor een oor, een oog, mijn slaapplaats onder
de bruggen. Gehavend als een kater trok ik
verder, blij met elke mistbank in mijn denken.

Uit die mist ten slotte heeft hij ons allen
opgedregd en meegenomen, hij die ineens
de elektrische deken van onderkoeling
van ons aftrok vlak voor het einde van de weg.

Waar we ons verhaal probeerden te begrijpen,
iedere stap van onze voeten – niet van ons –
tot aan ons wakker worden op een veldbed hier,
de goot, de stoep ontstegen, in een geur van soep.

De een is zijn naam kwijt, zijn taal ook en zijn land,
de ander is nog in zijn eigen lijf verdwaald.
Ik mis nog steeds een oog, een oor, jij kind en vrouw,
maar toch hebben we nu een herberg, en een krant.

PG

Gedicht met eigen leven

RIVIERENBUURT

Vanavond op de kaart gezien waar ik
het kind van ben. Hoe groot het is.

Wie niet begrijpt wat eenzaam is
moet daar een keer uit dwalen
gaan. Liefst na de laatste tram.

Pleinen over, waar portieken
gapen, stapels erkers zij aan
zij verrijzen in de nacht –
was Kafka architect geweest,
dan had hij dit bedacht:
toekomst veranderd in
verlatenheid. Nieuw in oud.

Wie niet begrijpt wat eenzaam is
moet daar een keer uit dwalen gaan.
Of thuis onder de lamp.

PG

Al vele jaren leidt dit gedicht een eigen leven. Het is meermalen opgenomen in bloemlezingen (o.m. in Amsterdam, de stad in gedichten, Guus Luijters, red., 521 uitgevers, 2001), heeft zelfs twee keer in Het Parool gestaan, de laatste keer nog op 3 augustus jongstleden, en het heeft enige jaren geleden al een plaats gekregen op de website Geheugen van Plan Zuid (voorheen Zuidelijke Wandelweg). Rivierenbuurt dus, dat ik ergens in de verre nazomer van 1994 heb geschreven aan de bar van voormalig literair café In de Sinnepoppen.

op de kaart
grensgebied met arcaden en erkers; foto H. Pierik

Niet dat ik vanuit een soort romantische mythevorming de illusie heb dat je als schrijver beter werkt in de kroeg, maar eenvoudigweg omdat het die septemberavond in mij opwelde. Ik had het jaren in mij meegedragen, en daar kwam het eensklaps tevoorschijn. Ik geloof dat ik het ook in één streep op papier heb gezet, in een rafelig notitieboekje of een oude zakagenda.
Geografisch of topografisch ligt het centrum van dit gedicht in het grensgebied van Amsterdam-Zuid, waar Victorieplein en Vrijheidslaan vervloeien met elkaar, daar bij die duistere arcaden, bij die inmiddels opgeheven tramhaltes die in de oorlog als verzamelplaats voor joodse buurtbewoners hebben gediend.
Al die elementen zitten erin, voor mij althans als eerste lezer van mijn eigen gedicht. Het is me des te dierbaarder daar het de opmaat is geweest tot veel meer gedichten over Zuid en de boeken Zuidelijke Wandelweg en De zomer van Icarus, maar mocht dit gedicht het enige zijn dat op den duur zal overblijven van mijn werk, dan ben ik dik tevreden.

ton
Aan de bar van In de Sinnepoppen, met wijlen Ton Jonkers, de eigenaar

Noorderzon

Woensdag aanstaande (22.VIII.2012) lees ik samen met Anton Brand voor op het Noorderzonfestival in Het Paleis, Boterdiep 117, in Groningen, bij Uitgeverij Passage. Aanvang: 17.00 uur.
Bij deze alvast wat beeld en geluid, goed te bekijken en te beluisteren zo rond middernacht, maar ieder denkbaar moment is er natuurlijk geschikt voor. Op de pagina over Verbrande schepen staat een iets langere versie. De maker hiervan is mijn zwager Henk Overweg.

PG

Rudi

Rudi
Iemand toch zal toe moeten zien dat alles voorbijgaat…

In eerste instantie was ik de Franse vertaler van Rutger Kopland. In de eerste plaats was – en is – Rudi vooral mijn vriend, altijd aanwezig op gevaarlijke kruispunten in mijn leven, maar ook op hoogtijdagen, soms met gortdroge, naar absurdisme neigende humor, zoals de door hem zo innig omarmde patafysica waarmee hij je tot huilens toe kon laten lachen, terwijl hij zelf dan wat gespeeld onschuldig om zich heen keek.

Je zou onze vijfendertigjarige vriendschap in termen van de kinderwereld kunnen vertalen: ik was er trots op, en het raakte me diep, dat zo’n grote jongen mij belangrijk genoeg vond om mee te spelen. En spelen dat deden we: het tot op de bodem lezen en vertalen van gedichten was een met grote regelmaat terugkerend spel.

Het onderstaande gedicht van Rudi is een van de eerste die ik heb vertaald. We hebben er samen in gezelschap van Ineke, flink rokend, af en toe nippend van een borrel, op een verre winteravond aan de keukentafel in Glimmen keihard aan gewerkt. Samen zoals gezegd, want Rudi’s Frans was goed, zo goed zelfs dat hij ook kon zeggen of bepaalde versregels in het Frans wel of niet liepen.

 

Parfois à la vue, à la vue d’une rangée
de peupliers par exemple il se peut
que je voie comment le monde, ou à l’odeur,
l’odeur fraîche d’herbe coupée il se peut:

c’était l’été, encore et encore l’été, le monde
était grand et je vivais, mais avec l’idée
que l’homme n’existe pas. J’écrivais: D chéri,
mais j’ai mis le feu à mes lettres

un feu. D ch, comment ça va, ô comment moi je vais,
pas grand-chose de neuf ici sur terre,
ta rangée de peupliers sanglote à voix basse,
mais ça lui passera, l’herbe se meurt patiemment,
ça sent lourdement le sang,
le sang vert de l’herbe.

                                J’ai fait un feu,
tu trouveras des cendres à ton retour, des cendres.

Soms bij het zien, bij het zien van een rij
populieren bijvoorbeeld, soms kan het zijn
dat ik zie hoe de wereld, of bij het ruiken,
het ruiken van vers gemaaid gras kan het zijn:

Het was zomer, altijd weer zomer, de wereld
was groot en ik leefde, maar met het idee
dat de mens niet bestaat. Ik schreef lieve G,
maar ik stookte een vuur, met mijn brieven

een vuur. L G, hoe gaat het, hoe gaat het toch
met mij, van de aarde valt weinig te melden,
je rij populieren staat zachtjes te snikken,
maar dat gaat wel over, het gras ligt geduldig
te sterven, het ruikt zwaar naar het groene,
het groene bloed van het gras.

                                         Ik heb een vuur
gemaakt, je vindt as als je terugkomt, as.

Spinhuisbrug op locatie bezongen 2

En nu met het filmpje, kwalitatief – in tegenstelling tot lied en zang – niet geweldig…
(P.S. In het vorige bericht staat nog een ander, beter filmpje, alleen zonder begin – )

SPINHUISBRUG

Er leidt een brug naar de Spiegel en terug
twee lichte bogen, een lage en een hoge
samen een mond, die heel even zucht

Twee witte wegen over het water
naar een wereld van dromen
een statige burcht bezield met theater

Er leidt een brug naar de Spiegel en terug
twee lichte bogen, een lage en een hoge
samen een letter, geschreven in de lucht

Maar wat betekent dat sierlijke teken
welk beeld ligt daarin toch besloten
en wil door ons worden bekeken

Is het nu het veranderd gezicht van de gracht
de donkere diepte heel anders gezien
of de nieuw verbonden oevers misschien

Er leiden twee bogen naar de Spiegel en terug
wanneer ik ervoor sta, treft dit mij het meest
deze brug is er altijd geweest

(PG 2011)

 

Spinhuisbrug op locatie bezongen

Feitelijk is het lied op drie locaties gezongen: aan de voet van het Maagjesbolwerk, bij de Kamperpoorterbrug, bij het Pelserbrugje en ten slotte, inderdaad op locatie, bij de Spinhuisbrug. De bedoeling was dat De Koor zich op die laatste brug zelf zou posteren, maar het onberekenbare, vlagerige weer maakte dat onmogelijk. Zoals liederen op welluidende wijze over water kunnen galmen, zo gemakkelijk verwaaien ze in wind, aldus componiste en dirigente Mip van der Heide, die het gedicht van Paul Gellings onder de foto toonzette (filmpje met geluidsopname komt in volgend bericht). Voor wie de krachtige en prachtige muziek van Mip wil beluisteren is er een cd van De Koor, met alles wat op 16 juni in Zwolle ten gehore is gebracht, en nog meer. Zie voor aanschaf: www.projectendekoor.nl en bruggen.projectendekoor.nl.

brug
De Spinhuisbrug andermaal

SPINHUISBRUG

Er leidt een brug naar de Spiegel en terug
twee lichte bogen, een lage en een hoge
samen een mond, die heel even zucht

Twee witte wegen over het water
naar een wereld van dromen
een statige burcht bezield met theater

Er leidt een brug naar de Spiegel en terug
twee lichte bogen, een lage en een hoge
samen een letter, geschreven in de lucht

Maar wat betekent dat sierlijke teken
welk beeld ligt daarin toch besloten
en wil door ons worden bekeken

Is het nu het veranderd gezicht van de gracht
de donkere diepte heel anders gezien
of de nieuw verbonden oevers misschien

Er leiden twee bogen naar de Spiegel en terug
wanneer ik ervoor sta, treft dit mij het meest
deze brug is er altijd geweest

(PG 2011)

Deelnemers masterclass Windesheim van hoog niveau

Masterclass ‘Show don’t tell’ , Hogeschool Windesheim, 060612
Docenten: Gertjan Aalders, Paul Gellings

Als uitgangspunt voor de masterclass het hoofdstuk over zwaar liefdesverdriet en een potsierlijk (niet uitgevoerd) zelfmoordplan in de Spaanse Pyreneën, p. 102-105

Begonnen met voordracht van een hoofdstuk uit Verbrande schepen; daarna discussie over stijl en stijlkeuzes – aankomende journalistes en journalistes bleken zeer goed onderlegd te zijn! Vervolgens interactieve opdracht: het stileren van een kleurloze beginzin. De meesterstukjes van Trea, Jan en Jeroen werden bekroond met een exemplaar van De zomer van Icarus .

Beginzin: Gisteravond was ik laat nog in de stad. De sfeer en het weer waren niet goed.

Dieneke: Gezelligheid ten top gisteravond. De sfeer was goed, bier in overvloed, het is erg laat geworden.
Angenieta: Het regent. Achter mij hoor ik geschreeuw. Ik zie niemand. Achter mij alleen donkere en verlaten straten.
Alette: Het is laat. De stad voelt koud en kil aan. Een lange schaduw valt op de grond.
Jan Jaap: Achteromkijkend liep ik zo snel mogelijk van flikkerende lantarens naar droge portieken.
Melanie: Het is donker. De straten in de stad zijn leeg. Het regent pijpenstelen en ik wil naar huis.
Trea: Ik hoor slechts mijn eigen voetstappen echoën door de straat. Onzichtbare ogen volgen mij vanuit het natte struikgewas.
Jan: De motdruppels verdunnen de rode smaak van ijzer. De tweede klap zag ik komen, als laatste.

dit boek als prijs voor de beste zinnen volgens jury bestaande uit Gertjan en Paul

Gabriella: De laatste bus was al weg. Molotovcocktails knalden langs mijn oren. 2-0 had Nederland verloren.
Hilke: Verloren sjokte ik vannacht door de stad. Volkomen mistig in die grimmige steegjes daar.
Jessie: Dikke druppels vallen onaangenaam op mijn gezicht. Schichtig kijk ik in de duistere straten om mij heen.
Sigrid: Als een zwerfhond dwaal ik door de nacht. Storm en onheil hangen naderend in de lucht.
Anne: In het schemerlicht sloegen de kerkklokken elf keer. Doordrenkt door de vallende zware regen ging ik naar huis.
Matthijs: Doordrenkt door regen in de donkere stad had ik het gevoel mijn laatste wandeling te maken.
Jeroen: Wakker wordend ruik ik het direct: zwartgebakken frites, het brengt die fatale avond terug.
Mireille: Het plensde gisteravond. Vanonder mijn paraplu hoorde ik ze roddelen over mijn te grote rode regenjas.
Dennis: De klok slaat. Twaalf korte tikjes lijken zich als lange halen over de kille nacht te verspreiden.
André: De stad is dicht en alleen voor mij nog open. Natte bladeren waaien aan mijn even natte broekspijpen voorbij.
Chris: Ik ben de laatste op straat vandaag. Ik voel me koud, moe en gebroken.
Ilona: De uitsmijter duwt me hard in mijn rug. Buiten is de lucht koud en zwart. Met mijn ogen dicht schuifel ik weg.
Stefan: Gesloopt slenter ik het stadion van Charkov uit. Duizenden verzopen oranjefans in mineur naar huis.
Elin: Troosteloze regen. Een prima weergave van de gezelligheid gisteravond. Het was te laat.

Het Zwolse koor De Koor zingt “Bruggen”

De brug bij Avignon is beroemd, maar sinds kort kent ook Zwolle een spectaculaire brug, de Spinhuisbrug, die het bejubelen waard is. Alle aanleiding voor het Zwolse koor De Koor op 16 juni 2012 het project Bruggen te lanceren.
Waar water een barrière kan zijn, legt De Koor met Bruggen de muzikale verbinding tussen de verschillende oevers van de Zwolse stadsgrachten. De Koor zal a capella, als ook in samenwerking met drie musici uit het HanzeOrkest, op cello, contrabas en altviool, een toepasselijk repertoire ten gehore brengen. Speciaal voor de nieuwe Zwolse parel over de Achtergracht is door Paul Gellings een gedicht geschreven, dat door dirigente Mip van der Heide op muziek gezet is. Verder zal het optreden van De Koor worden opgeluisterd door een bijzondere performance act.

De Spinhuisbrug
De Spinhuisbrug

Na het muzikaal kleuren van de provincie Friesland in 2009, het doen herleven van de Hanzeroute in 2010, een wandeltocht langs drie bijzondere Zwolse stadstuinen in 2011 zal de Koor op 16 juni 2012 met haar optreden de Bruggen van Zwolle laten schitteren.
We nemen u graag mee op onze culturele omzwerving van 2012.
Voor meer informatie: www.projectendekoor.nl en bruggen.projectendekoor.nl.

Het programma:
14.00 uur: optreden bij de Kamperpoortenbrug (achterzijde Maagjesbolwerk)
14.30 uur: vertrek rondvaartboot
15.00 uur: optreden bij het Pelserbrugje (naast cultuurschip Thor)
15.30 uur: vertrek rondvaartboot
16.00 uur: optreden op de Spinhuisbrug (naast Theater De Spiegel)
16.30 uur: vertrek rondvaartboot
17.00 uur: einde

De tijd hervonden in de Stichtstraat

‘Eigenlijk ben ik er nooit weggegaan.’ Zo luidt de slotzin van Zuidelijke Wandelweg, het eerste deel van de herinneringen van Paul Gellings aan het Amsterdam-Zuid van zijn jeugd (deel II = De zomer van Icarus). Zijn binding met de buurt bleek onverwoestbaarder dan ooit op 29 mei jl. toen hij na de begrafenis van zijn geliefde buurvrouw Käthi Rottenberg een kijkje ging nemen bij zijn oude voordeur in de Stichtstraat; een plaquette was niet veelzeggender geweest…

voordeur
hierachter werd PG geboren; hij woonde er van 1953 tot 1964; ongemerkt hebben de jaren er de tijd blootgelegd... Foto Jenny Wiersema

STICHTSTRAAT

Hoorbaar de stilte
wanneer je stappen
overgaan in regels.

Als grind dat ruist
in deze huizenhoge
zee van tegels.

Als kinderstemmen
verwaaid in de tuin
om je geboortehuis.

Of muziek verstomd
hoog op balkons
aan vestingmuren
flat genaamd.

Of als het landje
waar je speelde:
voorgoed bekleed

met steen. Waar nu
alleen nog tegels
overgaan in regels.

(PG, 1994)

Uit Antiek Fluweel

Festival Pontpoëzie en Pontmuziek 23 juni

Op zaterdagavond 23 juni zal op verschillende podia een festival met poëzie en muziek worden gehouden bij het Haersterveer. Dichters die meedoen zijn o.a. Rodaan Al Galidi, Mariska de Groot, Trijntje Gosker, Bouke Vlierhuis, Hein van der Schoot, Theo van van de Vliet, Hedwig Selles en Paul Gellings. Er volgt nog nadere informatie over aanvangstijd en programma. Zie ook de speciale Pontpoëziewebsite.

pont
veer en veerman

Het handmatig bediende veer in de Vecht tussen Zwolle en Haerst is een kleinood in tijd en ruimte. In de meest lieflijk en landelijk denkbare omgeving worden er fietsers en voetgangers met plezier overgezet. Voor wie niet te beroerd is met de snelheid van zijn eigen lichaam te reizen verkort het de weg naar Genne en Hasselt of de terugweg naar Zwolle of omgekeerd. Aan beide zijden ontsluit zich hoe dan ook een ander gebied in een andere eeuw. Kortom, de perfecte locatie voor poëzie en muziek, ook nog in een midzomernacht. Voor het Bevrijdingsfestival Overijssel 2000 schreef Paul Gellings het volgende gedicht gedicht, dat hij op 23 juni ten gehore zal brengen, en dat zich afspeelt op de Vechtoever even voor het Haersterveer…

Aan de Vecht

Terwijl wij sliepen is de rivier gaan stijgen
over  haar oevers heen. Het dal liep langzaam
onder, het duin werd klein en teer, de bunker
aan de voet ervan begon te zinken.Vanaf

de hoge heuveltop heeft toen ons zwijgend
huis gezien hoe snel het land verdween.
Herinnering aan lissen en aan zomeravonden
met nevelige koeien, nu overspoeld door

water: een aardedonkere nacht afkomstig
uit een klei zo ondoorgrondelijk als tijd.
Maar met het daglicht heeft ten slotte
zich de hemel op de bodem neergevlijd.

Terwijl wij sliepen veranderde de bunker
tegen monsters van vroeger en daarvoor,
tegen wapentuig en plagen, in een stenen
baken – middenin een zwanenmeer.

 

Paul Gellings verzorgt masterclass op Windesheim

Thor
Cultuurschip Thor aan boord waarvan Verbrande schepen najaar 2011 werd gepresenteerd

Als aanvulling op hun diploma biedt de Hogeschool Windesheim studenten journalistiek diverse masterclasses aan. Een daarvan zal op de avond van de 6e juni door Paul Gellings worden verzorgd. Hij zal daarbij ingaan op de stilistische factoren die een rol gespeeld hebben bij het schrijven van zijn laatste roman Verbrande Schepen, met name op de meer poëtische aspecten die zijn proza in sterke mate kenmerken. Verbrande schepen, dat alle betrokken studenten inmiddels in hun bezit hebben, zal dus bij die gelegenheid worden gebruikt als ‘schoolboek’.

Bundel H.H. ter Balkt Overijssels boek 2011

Voor het eerst een fictieprijs
Voor het vierde achtereenvolgende jaar organiseerden Historisch Centrum Overijssel (HCO), de Overijsselse Bibliotheek Dienst (OBD) en Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek Deventer (SAB) de Verkiezing van het Overijssels Boek van het Jaar 2011. Voor de beste roman, verhalen- of dichtbundel was er een shortlist bekend. De jury voor de categorie fictie bestond uit Enno de Witt, Gees Bartels en Jan Kristen.

Een belangrijke kans maakte ook

  • Verbrande schepen / door Paul Gellings – roman:
    Verbrande schepen. 'Een heel indringende roman'- Marcel Möring

    hoe vind je vrienden en bekenden uit je verleden terug? Als een man in een ellendige situatie belandt, denkt hij aan zijn vroegere contacten, vrienden en gelukkige en minder gelukkige liefdes… Als altijd schildert Gellings met woorden en gooit daarbij humor en spanning volop in de strijd.
  • Maar de winnaar is…
    Op 12 april maakte gedeputeerde Maij bekend dat de prijs (à raison van € 500) naar H.H. ter Balkt (1938) was gegaan voor zijn bundel Vliegtuigmagneet. ‘Een klein eigenzinnig meesterwerkje,” luidde het eindoordeel van de jury. Ter Balkt staat bekend om zijn dwarsheid, als een ‘boerendichter’, een maker van even grimmige als humoristische gedichten. In de jaren zestig debuteerde hij onder het veelzeggende pseudoniem Habakuk II de Balker. In 2003 ontving hij de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre.

    Nieuw boek Gerrit Teunis verschijnt 25 april

    Directeur Gerrit Teunis van woningcorporatie Beter Wonen presenteert op 25 april aanstaande zijn nieuwe boek Spoken wonen niet in huizen bij Hedon, te Zwolle. Zijn boek is een persoonlijk verslag van zijn ervaringen in de wereld van sociale huisvesting, woningbouw en beheer, en kan gezien worden als een vervolg op zijn eerdere werk: Dromen, ambities, politiek. Daarin fileert Teunis bepaalde machtsmechanismen in de PVDA, partij waarvoor hij enige jaren in de gemeenteraad van Zwolle heeft gezeten, waar hij de nodige tegenwerking o.m. van zijn partijgenoten heeft ondervonden.
    De titel van zijn nieuwe boek is ontleend aan het gedicht Spoken van Paul Gellings

    Hal BW met gedicht

    spoken wonen niet in huizen
    maar in hoofden
    zielen wonen niet in hoofden
    maar in harten
    en jij en ik dan
    wij wonen in ons huis
    en in ons hart
    wij gaan steeds
    beter wonen

    hal
    idem

    Gellings zal dit gedicht voorlezen tijdens de presentatie op 25 april. Hij schreef het oorspronkelijk als wandgedicht voor de ontvangsthal van Beter Wonen in Hardenberg, waar het sinds de zomer van 2011 is te zien.

    Eerder schreef hij ter gelegenheid van de opening van het nieuwe kantoor van de corporatie in 2007 een bundel gedichten over het Vechtdal: Uitzicht om in te wonen, en ter ere van het negentarigjarig bestaan van BW de novelle Manchester. Dit verhaal (zie ook onder ‘romans’ op deze site) is voor de Britse relaties van Beter Wonen tevens in het Engels vertaald. Het gaat over een moord die, gepleegd in het Vechtdal, uiteindelijk in Manchester wordt opgelost. Gellings ervaart de projecten die hij op uitnodiging van Gerrit Teunis mag uitvoeren als zeer inspirerend en wenst hem veel succes met zijn nieuwe boek Spoken wonen niet in huizen.

    Plaquette met gedicht Gellings in voorportaal basiliek

    Begin februari jl. is het gedicht De Peperbus spreekt van Paul Gellings (zie ook ‘Dichtwerk‘) gegraveerd in een roestvrij stalen plaquette aangebracht in het voorportaal van de Onze Lieve Vrouwebasiliek te Zwolle. Het gaat om het tweede gedicht dat Gellings schreef in zijn stadsdichtersperiode van 2005 tot 2007. Hij las het voor bij de heropening van de toren in de lente van 2005. Het is opgedragen aan stadsbeiaardier Leon van der Eijk die bij dezelfde gelegenheid afscheid nam.

    Dit is de tekst op de plaquette:

    DE PEPERBUS SPREEKT

    De dichter van de stad kijkt uit zijn zolderraam.
    Dat doet hij iedere ochtend en bijna iedere avond.
    Hij zoekt een tel en ziet mij in de verte staan.

    Even luistert hij naar het spelen van de beiaardier
    en droomt mij op de voorplecht van een stenen schip
    dat onverstoorbaar meevaart met de aarde hier.

    In de romp valt soms de zon door glas in lood,
    soms trillen kaarsenvlammen in het halfdonker,
    gebeden, vragen over het leven en de dood.

    Alleen ieder antwoord gaat in raadselen gehuld,
    nieuwe geheimen, een wolk, zoals die bronzen
    nevel waar ons carillon de stad mee vult.

    Wie ben ik toch? Voor late reizigers een baken,
    tot na de laatste trein wacht ik hier goudgehelmd,
    vuurtoren die uitkijkt op een zee van daken.

    Zo ben ik bij daglicht ook een gids voor iedereen.
    Voor wie mij kent is het onmogelijk verdwalen.
    Opeens weet je het weer: daar moet je heen.

    De dichter van de stad kijkt uit zijn dakkapel.
    Hij heeft me laten spreken – maar de beiaard
    is de echte stem waarmee ik mijn verhaal vertel.

    Geschreven ter gelegenheid van de heropening van de Peperbus op 23 april 2005 en opgedragen aan scheidend stadsbeiaardier Leon van der Eijk.

     

    DRIE GEDICHTEN IN TOP 100 NATIONALE GEDICHTENWEDSTRIJD

    Turings Nationale gedichtenwedstrijd 2012

    Voor het derde achtereenvolgende jaar haalde dichtwerk van mijn hand – uit meer dan 10000 inzendingen – de top 100 van Turings Nationale Gedichtenwedstrijd, en vond zo zijn weg naar de bloemlezing De Toverhazelaar (Uitg. Augustus, 2012). Het gaat om: Spoken van Rembrandt, Kairos en Verborgen kamers. Laatstgenoemd gedicht, dat me heel dierbaar is, staat hieronder afgedrukt.

    VERBORGEN KAMERS

    Ik hou van pleintjes onder bladerdaken
    naamloos en driehoekig uit een straat geknipt
    je loopt er zo voorbij, alleen ik niet

    altijd schemerig en louter bewoond
    door geesten en hun flessen in
    een walm van pis en slechte wijn

    misschien zijn het wel wormgaten
    naar de hel en is dat wat me zo
    aantrekt: als toerist op doorreis

    in het duister en dan gauw terug naar huis
    met toch onveranderlijk een diep verlangen
    naar deze pleintjes onder bladerdaken                                                                    

    waar nog altijd iets als uit een ander leven
    in verborgen kamers lijkt te wachten

    of alleen de donkergroene schaduw ervan

     

     

     

    VERBRANDE SCHEPEN van Paul Gellings op shortlist Overijssels Boek van het Jaar 2011

    Verbrande schepen

    Voor het eerst een fictieprijs
    Voor het vierde achtereenvolgende jaar organiseren Historisch Centrum Overijssel (HCO), de Overijsselse Bibliotheek Dienst (OBD) en Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek Deventer (SAB) de Verkiezing van het Overijssels Boek van het Jaar. Nieuw dit jaar is de categorie ‘fictie’. Voor de beste roman, verhalen- of dichtbundel is nu de shortlist bekend. De jury voor deze categorie bestaat uit Enno de Witt (journalist; voorzitter), Gees Bartels (kunstvrouw van het jaar 2011) en Jan Kristen (oud-gedeputeerde cultuur). Uit een aanbod van bijna 200 boeken op het gebied van cultuur, geschiedenis en taal koos een andere vijfkoppige jury tien titels voor de ‘shortlist non-fictie’. Deze jury bestaat uit Lamberthe de Jong (historica; voorzitter), Marion Groenewoud (kunsthistorica, journalist), Gerard Lage Venterink (historicus, journalist), Ben Siemerink (journalist) en Frank Inklaar (docent Open Universiteit).

    En de genomineerden in de categorie fictie zijn….

    •  Verbrande schepen / door Paul Gellings – roman: hoe vind je vrienden en bekenden uit je verleden terug? Als een man in een ellendige situatie belandt, denkt hij aan zijn vroegere contacten, vrienden en gelukkige en minder gelukkige liefdes… Als altijd schildert Gellings met woorden en gooit daarbij humor en spanning volop in de strijd.
    • Buiten de tijd / door Hanneke van Schooten – poezie: gedichten die zijn geïnspireerd op de jarenlange vriendschap met de schrijver Willem Brakman
    • Vliegtuigmagneet / door H.H. ter Balkt – poezie: een soort onheilspoëzie, maar steeds vitaal en nooit somber met veel verwijzingen naar geheimzinnige gebeurtenissen.
    • De vuurwerkramp van Harmen Saliger / door Peter de Zwaan – thriller: op de dag dat zich in Enschede de vuurwerkramp voltrekt, besluit ondernemer Harmen Saliger zijn koffers te pakken en te verdwijnen. Spannende thriller gebaseerd op een waargebeurd feit.
    • De imker / door Jacob Vis – thriller: thriller over een rijke bankiersfamilie en commissaris Ben van Arkel uit IJsselmonde (Kampen).

    En de winnaar is…..
    Op 12 april maakt gedeputeerde Maij bekend welke boeken de titel dit jaar in de wacht slepen. Doel van de verkiezing van het Overijssels boek van het jaar is promotie van publicaties met betrekking tot de geschiedenis van Overijssel en het genereren van aandacht en betrokkenheid voor het eigene en bijzondere van de cultuur en historie van Overijssel. Van alle genomineerde boeken is binnenkort een overzicht te vinden op www.overijsselsboekvanhetjaar.nl.

    Voor meer informatie kunt u contact opnemen met

    Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek
    Dinand Webbink
    telefoonnummer: 06-29 53 66 28
    e-mail: g.d.webbink@saxion.nl

    of

    Historisch Centrum Overijssel
    Inge Zomer
    telefoonnummer: 038-426 63 45
    e-mail: i.zomer@historischcentrumoverijssel.nl

    De website www.overijsselsboekvanhetjaar.nl is vanaf 9 februari 2012 online.

    Franse ridderorde voor Paul Gellings

    Paul Gellings

    De schrijver en dichter Paul Gellings is onderscheiden voor de manier waarop hij de afgelopen veertig jaar de Franse taal en cultuur voor het voetlicht heeft gebracht. De in Zwolle woonachtige docent Frans heeft onder meer gedichten van Rutger Kopland in het Frans vertaald en gepubliceerd.

    Verder schreef hij een wetenschappelijk werk over de Franse schrijver Patrick Modiano, waarop hij in 1999 in Leiden promoveerde en waarvan in 2000 een Franse handelseditie verscheen. Ook kwam zijn eerste roman Witte Paarden (Motel Belmonde) uit bij de Parijse uitgeverij Denoël. Daarnaast is Gellings adviseur Nederlandse literatuur van uitgeverij Gallimard en publiceert hij regelmatig gedichten, artikelen en vertalingen in Franse tijdschriften.

    De onderscheiding wordt in Frankrijk jaarlijks wel 10.000 keer toegekend, maar bijna nooit aan een buitenlander. In Nederland werd eerder Prins Bernhard onderscheiden in de Orde der Academische Palmen. Gellings is ridder, Prins Bernhard was commandeur.

    Paul Gellings stapte in 2010 over naar Uitgeverij Passage met de bedoeling om daar elk jaar een literair werk te publiceren. In 2010 was dat de roman De zomer van Icarus. Eind vorig jaar verscheen Verbrande schepen, een broeierige roman over de ongemakken van vriendschappen. Nieuw werk is in voorbereiding.

    Beluister het interview dat Paul Gellings had met de VRPO n.a.v. zijn onderscheiding