Deel dit artikel
Berichten archief
Recente reacties
Who's Online
  • 0 Members.
  • 1 Guest.

Maandelijks archief: september 2012

Joop

Op vrijdag 7 september jl. vierde Joop van Ommen (62) zijn 25-jarig jubileum als directeur van de WRZV-hallen in Zwolle. ZV staat voor zaalvoetbal, maar in feite gaat het – voor wie Joop niet kent – natuurlijk om de daar gevestigde Herberg, de dak- en thuislozenopvang waarvan Joop al meer dan twintig jaar de drijvende kracht is. De krant die daarbij hoort is inmiddels van Daklozenkrant Herbergkrant gaan heten en is uiterlijk, inhoudelijk en redactioneel van een opmerkelijk hoog niveau. Kopen dus, zeg ik tegen iedereen die er iemand mee ziet staan bij een supermarkt of in een winkelstraat!
Terug naar Joop. Als ik zijn leven zou moeten samenvatten, dan zou ik het Het sprookje van de goede taxichauffeur noemen. Hij heeft dat beroep lang uitgeoefend en zo de straat en de stad als geen ander leren kennen, en zich er nooit bij neergelegd dat diezelfde straat en stad het enige thuis waren voor hen die het leven uit de koers had geblazen.
Het sprookje heb ik nog niet geschreven, wel een op Le bateau ivre (‘De dronken boot’) van Arthur Rimbaud geïnspireerd gedicht, met als thema: afglijden en thuiskomen (in De Herberg!). Het zal begin november verschijnen in een door Erna Ekkelkamp in opdracht van woningcorporatie Beter Wonen Vechtdal samengestelde canon van De Herberg, en het is uiteraard aan Joop opgedragen. Hieronder is het alvast te lezen.

Joop

Joop (midden) in zijn element. Foto Marcel Senz.

BALLADE VAN DE HERBERG

Voor Joop van Ommen

Al zo veel jaren zoekend naar een herbergier
troffen we aan het einde van een lange weg
iemand die ons zonder vragen naar de plek bracht
waar we ons verhaal probeerden te begrijpen.

Maar wanneer het ooit begon is niet te zeggen.
Er waren tekens van schimmel en betonrot
onder ons schedeldak en in onze levens,
die we verborgen, ontkenden of negeerden.

Levenspartner, kind en vriend en baas vervaagden;
alleen nog schimmen in de verlaten kamers
die zich met kapotte vuilniszakken vulden,
het stinkende gezelschap van vergooid bestaan.

Restte nog het huis dat allang geen thuis meer was;
niet meer dan een samenraapsel van wat muren,
een afgesloten telefoon, geen gas, geen licht,
nachten in een krul om een gedoofde kachel.

Niemand weet precies wanneer we zijn vertrokken;
een stem zei: ‘Die woning is niet meer te kraken.’
En plots lag daar de straat tot aan de horizon,
een rouwrand, een vergeten spooremplacement.

De een bouwde kaartenhuizen in portieken,
hazenlegers in het struikgewas van parken,
logeerde in hotel De blote Hemel waar
hij onder de verkeerde sterren wakker lag.

De ander zoog de geest van vruchtvlees uit een fles,
waarna zijn eigen geest zijn hoofd al snel verliet,
dubbelziende ogen die de grauwe rimboe
van de straten kleurden met een penseel van pijn.

En jij prikte naald na naald in het koningsblauw
van je langzaam tot kippenpoot gekrompen arm.
Je netvlies werd een mozaïek, je kreeg het warm
en toen weer koud in de tunnels naar de morgen.

En ik knokte om een sigaret of leugens;
ik verloor een oor, een oog, mijn slaapplaats onder
de bruggen. Gehavend als een kater trok ik
verder, blij met elke mistbank in mijn denken.

Uit die mist ten slotte heeft hij ons allen
opgedregd en meegenomen, hij die ineens
de elektrische deken van onderkoeling
van ons aftrok vlak voor het einde van de weg.

Waar we ons verhaal probeerden te begrijpen,
iedere stap van onze voeten – niet van ons –
tot aan ons wakker worden op een veldbed hier,
de goot, de stoep ontstegen, in een geur van soep.

De een is zijn naam kwijt, zijn taal ook en zijn land,
de ander is nog in zijn eigen lijf verdwaald.
Ik mis nog steeds een oog, een oor, jij kind en vrouw,
maar toch hebben we nu een herberg, en een krant.

PG